Child pages
  • Bosrietzanger - Acrocephalus palustris
Skip to end of metadata
Go to start of metadata

Bosrietzanger - Acrocephalus palustris

Algemeen

Algemene kenmerken

 

Naam soort(en)groep

Bosrietzanger - Acrocephalus palustris

Regio

Nederland, Centraal Europa

Watersysteem

Rietland en ruigte, struweel

Natuurparameter

vogels

Factsheet opgemaakt door

M.P. Weeber

Habitat beschrijving

Algemeen voorkomen (leef- en broedgebied)

De bosrietzanger komt voor in zoetwatergebieden en broedt voornamelijk in drogere delen van moerassen. Daarnaast komt hij relatief veel voor in droge biotopen buiten de moerassen. Het broedgebied bestaat uit dichte, vochtige ruigten met kruiden, veelal met struikopslag, zoals de verruigde delen van rietmoerassen, spoorbermen, kanaalbermen, wegbermen, dijktaluds, verruigde opspuittereinen, broekbossen, grienden, en open populierenbossen met een dichte ondergroei van kruiden. De overkoepelende voorwaarde is dat er resten voorkomen van opgaande, overjarige kruiden. Deze structuren zijn 80 tot 180 cm hoog, liggen in een open landschap dat wordt afgewisseld met struiken en bomen. De planten brandnetel, riet (gemend met brandnetel), moerasspirea, koninginnekruid en wilgeroosje hebben de voorkeur. Rivieroevers met een grote opslag van hoge ruigtekruiden vormen een ideale broedlocatie. Een te grote dichtheid van de vegetatie heeft een negatieve invloed op de nest mogelijkheid. De gemiddelde afstand tussen nestlocatie en foerageergebied bedraagt 30 meter #1.

Voedselhabitat en strategie

De bosrietzanger eet uitsluitend kleine invertebraten, zoals insecten, spinnen en slakken. Deze bejaagd hij in hoge kruiden, struiken en in bosjes en bomen #1.

Reproductie en migratie

Het broedseizoen loopt van eind mei tot eind augustus. Er wordt één broedsel per jaar gelegd. De eieren worden vanaf eind mei tot ver in juni gelegd. Dit zijn 3 tot 6 eieren die na 12 tot 14 dagen uitkomen. Hierna zijn de jongen na 9 tot 11 dagen vliegvlug en na 15 tot 19 dagen onafhankelijk #1.

In juli en augustus trekken de bosrietzangers naar Zuidelijk Afrika. De jongen vertrekken pas in augustus. Rond eind april komt de hoofdmoot weer in de broedgebieden aan #1.

Leeftijd en mortaliteit

Predatie heeft, door de locatie keuze van de bosrietzanger, weinig invloed op het nestsucces. Een groter effect heeft echter de koekoek, die zijn eieren in de nesten van de bosrietzanger legt en het opkomen van de jongen van de bosrietzanger verkleint. Nesten van de bosrietzanger in open vegetaties lopen een minder groot risico op koekoekseieren #1.

Dosis-effect relaties

Stoomdiagram


Unknown macro: {flowchart} graph[
rankdir=LR]
nodesep=0.5
"node0" [
label = "HGI Nesthabitat Bosrietzanger | HGI Broedgebied algemeen Bosrietzanger"
shape = "record"
];
"node3" [
label = "HGI Broedgebied Bosrietzanger"
shape = "record"
];
"node0":f1-> "node3" [style=italic,label="minimum"]
[
id = 2
];


Unknown macro: {flowchart} graph[
rankdir=LR]
nodesep=0.5
"node0" [
label = "Taludvorm | Grondwaterstanden | Vegetatie "
shape = "record"
];
"node3" [
label = "HGI Nesthabitat Bosrietzanger"
shape = "record"
];
"node0":f1-> "node3" [style=italic,label="minimum"]
[
id = 2
];


Unknown macro: {flowchart} graph[
rankdir=LR]
nodesep=0.5
"node0" [
label = " Oevervegetatie | Successiestadia "
shape = "record"
];
"node3" [
label = "HGI Broedgebied algemeen Bosrietzanger"
shape = "record"
];
"node0":f1-> "node3" [style=italic,label="gemiddelde"]
[
id = 2
];


Unknown macro: {flowchart} graph[
rankdir=LR]
nodesep=0.5
"node0" [
label = "Hoogte kruidenvegetaties | Stengeldichtheid ruigtekruiden "
shape = "record"
];
"node3" [
label = "Vegetatie"
shape = "record"
];
"node0":f1-> "node3" [style=italic,label="gemiddelde"]
[
id = 2
];


Unknown macro: {flowchart} graph[
rankdir=LR]
nodesep=0.5
"node0" [
label = " Breedte oevervegetatie | Areaal oevervegetatie | Aantal struiken per 100 m oever "
shape = "record"
];
"node3" [
label = "Oevervegetatie"
shape = "record"
];
"node0":f1-> "node3" [style=italic,label="gemiddelde"]
[
id = 2
];

Dosis-effect relaties


taludvorm (graden)

HSI

0

1

20

0.8

60

0

80

0

Referentie: #1


grondwaterstand (klassen)

HSI

hoger dan maaiveld

0

-20 cm tot maaiveld

1

lager dan -20 cm

0.4

Referentie: #1


overstromingen (periode)

HSI

sep - apr

1

mei - aug

0

Referentie: #1


breedte oevervegetatie (m)

HSI

0

0

0.5

0

1

0.8

2

1

5

1

Referentie: #1


successiestadia (klassen)

HSI

waterriet

0

waterriet met droge plekken

0

vochtig open rietland

0.2

riet met verspreide boom/struik opslag

0.8

rietruigte

1

ruigtekruiden droog/vochtig

1

rietruigte met bosopslag

1

moerasbos met open plekken

0.7

moerasbos vrijwel gesloten

0

Referentie: #1


areaal oevervegetatie (ha)

HSI

0

0

0.125

1

1

1

Referentie: #1


hoogte kruidenvegetatie (m)

HSI

0

0

50

0

60

1

100

1

Referentie: #1


aantal struiken per 100 m oever (aantal struiken/ 100 m oever)

HSI

0 - 1

0.5

2 - 3

1

> 3

0

Referentie: #1


stengeldichtheid ruigtekruiden (n/m2)

HSI

0

0

20

1

45

1

200

0

Referentie: #1

Ornithologisch Basisregister #2

ecotoop-gebied

nest

voedsel

open water

 

 

rietvegetaties

+

+

ruigten

+

+

zandige, open ruigten en pioniersvegetaties

 

 

heide stuifzand, veen, open duin

 

 

grasland

 

 

akkers

 

 

struwelen

++

++

bos

 

 

bebouwd gebied

 

 

open gebied

 

 

Het nest wordt gemaakt op de kruilaag of de lage struiklaag.

Het voedsel wordt gezocht op de kruilaag of de lage struiklaag.

De bepalende factor van voorkomen is de aanwezigheid van vochtige open struwelen.

Onzekerheid en validatie

(warning) Deze rekenregels zijn niet gevalideerd.

Deze rekenregels zijn opgesteld aan de hand van een literatuuronderzoek #1.

Toepassingsgebied

Nederland.

Voorbeeld project

Niet aanwezig

Referenties

1 Van der Winden, J., Dirksen, S., Poot, M.J.M., 1996 . HSI-modellen voor 15 oevergebonden broedvogelsoorten. Ministerie van verkeer en waterstaat, Dienst weg en watebrouwkunde, Bureau Waardenburg, februari 1996
2 Sierdsema, H. Broedvogels en beheer. Staatsbosbeheer.SOVON. 1995

  • No labels