Child pages
  • Ecologisch gericht suppleren
Skip to end of metadata
Go to start of metadata

   

Home Ondersteuning Rijkswaterstaat Toestand van de kust Uitwisseling getijbekkens Werking kustfundament Ecologisch suppleren Producten
 
 

Ecologisch gericht suppleren

    Ecologisch gericht suppleren, nu en in de toekomst

    Het programma "Ecologisch gericht suppleren, nu en in de toekomst" is een onderzoeks- en monitoringporgramma met als doelstelling meer inzicht te krijgen of, en in welke mate, zandsuppleties van invloed zijn op de natuurwaarden. Daarnaast wordt gekeken op welke wijze zandsuppleties in de nabije toekomst kunnen bijdragen aan opgaven van veiligheid samen met natuurbehoud en -ontwikkeling. Het doel van het programma is een optimalisatie van het dynamisch beheer en behoud van de kustlijn en bescherming van kustecosystemen.

    Alle rapportage zijn terug te vinden onder op de algemene productenpagina


    Programma 2016-2020

    De komende jaren zal er in samenwerking met Imares een onderzoeksprogramma uit worden gevoerd. Hierin zijn de vragen van de natuurbeschermingsorganisaties samengebracht in drie krachtlijnen die elk focussen op de ecologische effecten van suppleren op de middelgrote (regionaal) tot grote (landelijk) schaal en de middellange tot lange termijn. Er zal in dit onderzoeksprogramma aandacht worden besteed aan de vragen in de ondiepe kustzone, vragen met betrekking tot landschapsdifferentiatie van de duinen langs de Nederlandse kust, en er wordt geanticipeerd op vragen in het Waddengebied door aan te sluiten bij een bestaande database.


    Afgerond programma 2009 - 2015

    In 2009 is in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam en IMARES een 6-jarig onderzoeksprgramma opgesteld. Hierin zijn de vragen van de natuurbeschermingsorganisaties samengebracht in vier onderzoekscategorieen:

    • Strand
    • Duinen
    • Ondiepe kustzone
    • Vogels

     

      Achtergrond

      De Nederlandse kust wordt dynamisch op zijn plaats gehouden door middel van zandsuppleties. Onder zandsuppletie wordt de gehele keten van winning, transport en aanbrengen van zand op locatie verstaan. In het huidige beleid is vastgelegd dat de basiskustlijn, die voor een groot deel overeenkomt met de kustlijn van 1990, wordt gehandhaafd ten behoeve van de veiligheid. Tekorten van het gehele kustfundament, als gevolg van zeespiegelstijging of morfologische aanpassingen, worden aangevuld. Deze manier van kustbehoud is uniek.
      Het zand dat als grondstof dient, wordt gewonnen in dieper water, voorbij de doorgetrokken -20 meter diepte lijn. De suppletie kan op meerdere manieren worden uitgevoerd: op de vooroever, op het strand, langs een geulwand en in uitzonderlijke gevallen als duinverzwaring.

      Door zandsuppleties wordt de natuurlijke zandige kust veilig gesteld. Deze dient niet alleen ter bescherming tegen het water, maar heeft ook vele gebruikersfuncties, zoals wonen, recreatie en maritieme toegang. Daarnaast heeft de kust een hoge natuurwaarde die op nationaal en Europees niveau beschermd wordt.

      De invloed van zandsuppletie op de biotiek en abiotiek is nog niet volledig duidelijk. Zandsuppletie beïnvloed zowel de morfologie van de diepere delen van de bodem offshore, als van de vooroever, het strand en de duinen, maar het is grotendeels onbekend hoe de morfologie veranderd. Daarnaast is het niet duidelijk welk gevolg deze van morfologische veranderingen hebben op biologische ontwikkelingen en ecologische functies van het systeem (habitatontwikkeling, kraamkamerfunctie, rust- of foerageergebied).

      Momenteel wordt er 12 miljoen kubieke meter zand per jaar gesuppleerd. Om het kustfundament mee te laten groeien met de zeespiegelstijging, zal in de toekomst naar verwachting 20 miljoen kubieke meter per jaar gesuppleerd moeten worden. Met deze opschaling van suppleties ten opzichte van het huidige beleid is het van belang om de ecologische effecten in kaart te brengen om zo richtlijnen te kunnen destilleren te voorkoming van schade aan de kusthabitats.

       

      Het onderzoeksprogramma werd door Deltares uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat en kende een jaarlijkse cyclus waarin met behulp van een jaarplan werd aangegeven welke studies en veldinventarisaties het komende jaar uitgevoerd werden.

      Het onderzoek vind plaats in samenspraak met Rijkswaterstaat, vier natuurbeschermingsorganisaties: De waddenvereniging ,Stichting de Noordzee,Vogelbescherming NederlandStichting Duinbehouden uitvoerende partijen.

       

      Inleiding

      Langs vrijwel de hele Nederlandse kust vinden we duingebieden. De kustduinen zijn ontstaan door de eeuwenlange invloed van zee, wind, begroeiing en de mens. De zee brengt zand op het strand, waarna de wind een deel van het zand verstuift richting de duinen. Hier vormt het bergjes van zand die, wanneer vastgehouden door planten, kunnen uitgroeien tot een duin. Lage duinen kunnen zo soms uitgroeien tot zeer hoge duinen.

      Het duinonderzoek samengevat

      Van 2010 tot en met 2014 is er langs de Nederlandse kust onderzoek gedaan naar de hoeveelheid en effecten van verstuivend zand in de zeereep, op het grondwater, de aanwezige vegetatie en organismen en de chemie van bodem en vegetatie. De zeereep is de eerste reep duinvegetatie aan de zeezijde van het duin. Hierbij is gebruik gemaakt van modellering en monitoring in de zeereep op locaties die wel en niet regelmatig worden gesuppleerd met zand. Het proces van verstuiving is niet alleen van groot belang voor het meegroeien van de zeereep met de zeespiegelstijging maar ook voor de planten en dieren die in de zeereep voorkomen. Daarnaast zijn er interviews gehouden met instanties verantwoordelijk voor het kust- en zeereepbeheer over de invloed van kustbeheer op de ontwikkeling van de zeereep en de strook er direct achter.

      De monitoring liet zien dat daar waar veel zand de zeereep in kon stuiven er veranderingen in de chemie van de bodem waren opgetreden. Het ingestoven zand bleek over het algemeen een hoger kalkgehalte te hebben dan het oorspronkelijke zand. Dit leidde echter niet tot een aanwijsbare verhoging van de pH-waarde of andere chemische verandering in de vegetatie in de zeereep. De soortensamenstelling van vegetatie en fauna werd voornamelijk bepaald door de hoeveelheid en afstand waarover het zand verstoof. Waarbij de mate van dynamiek in de zeereep bepalend was voor de hoeveelheid en afstand waarover het zand de zeereep instoof. Hierdoor was het lastig een directe koppeling met een suppletielocatie vast te stellen. Onder dynamiek van de zeereep verstaan we het proces van erosie en afzetting van zand op het strand en in de zeereep. De aanwezigheid van kerven, welke natuurlijk zijn gevormd of door de mens zijn aangebracht, zijn hierin heel bepalend. Over het algemeen is voor het behoud van natuurkwaliteiten meer dynamiek in de zeereep gewenst.

      De interviews maakten duidelijk dat het kust- en zeereepbeheer in handen is van verschillende organisaties. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de algemene veiligheid van de kust en voor de uitvoering van het suppletiebeleid. Het dagelijks beheer van de veiligheid van strand en zeereep is in handen gegeven van de waterschappen. Het natuurbeheer van de zeereep en de duinen erachter, is door de waterschappen vaak in handen gegeven van natuurorganisaties (soms tevens producenten van drinkwater). Met een gezamenlijke gebiedsvisie en beleidslijn kan kust- en zeereepbeheer elkaar ondersteunen zodat waterveiligheidsdoelen en natuurdoelen nog beter verenigd kunnen worden.

      De mate van dynamiek in de zeereep kan gezien worden als een sturend proces voor natuurontwikkeling. Het verband tussen suppleties en de hoeveelheid zand beschikbaar voor verstuiving is nog niet voldoende onderzocht. Het is wenselijk om onderzoek te doen naar, hoe waargenomen variaties langs de Nederlandse kust in de mate van verstuiving van zand naar de zeereep samenhangt met de heersende randvoorwaarden zeewaarts van de zeereep, de hoeveelheid beschikbaar zand en de aanvoer van zand door eolisch transport in bijzonder. Op deze manier kan er worden gewerkt aan dynamisch landschapsbeheer voor de gehele Nederlandse kust.

       

      Onder de volgende kopjes volgt een meer uitgebreide beschrijving van het onderzoek:

      Studiegebieden

      Verstuiving

      Grondwater

      Chemische eigenschappen van de bodem en vegetatie

      Fauna

      Vegetatieontwikkeling

      Relatie duinbeheer, kustbeheer en duinontwikkeling

      Doorkijk naar vervolg

      Inleiding

      Het strand is de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn. Het strand beschermt de kust doordat de golven worden geremd. Hierbij wordt in perioden met veel wind en golven zand vanaf het strand weggespoeld. Terwijl tijdens rustige perioden zand langzaam op het strand wordt gebracht. Zo is het strand altijd in beweging. Wanneer er teveel zand verloren is gegaan wordt er een strandsuppletie uitgevoerd waarbij een bepaalde hoeveelheid zand tussen de duinvoet en de laagwaterlijn wordt aangebracht.

      Het strandonderzoek samengevat

      Het strand kan worden opgedeeld in verschillende zones van hoog strand boven de hoogwaterlijn (het droge strand) naar het midden strand en het laag strand langs de laagwaterlijn (het natte strand). De getijdenzone is de strook die ligt tussen de hoogwaterlijn en de laagwaterlijn. Hier spoelt het getij twee keer per dag het zeewater over het strand. De dieren die hier leven moeten veel kunnen verdragen. Op het getijdenstrand komen dan ook minder bodemdieren voor dan op de vooroever. De soorten die op het strand voorkomen zijn voornamelijk wormen en kreeftachtige. Deze dieren vormen een belangrijke voedselbron voor verschillende kustvogels.

      Tijdens een strandsuppletie worden alle aanwezige dieren bedolven onder het zand. De vraag is hoe lang het duurt voordat het bodemleven weer terug is en of het uitmaakt wanneer in het jaar dit gebeurt. Om een antwoord te krijgen op deze vragen is tussen 2010 en 2013 het bodemleven op het strand van Ameland gevolgd na aanleg van een strandsuppletie.

      Gelijk aan de andere Waddeneilanden, heeft het getijdenstrand van Ameland een fijne gemiddelde korreldiameter. Langs de Hollandse kust is het zand over het algemeen iets grover. Het fijne sediment op het strand van Ameland zorgt ervoor dat het strand relatief vlak is. Dit komt doordat het water niet goed in de bodem kan zakken en daardoor zand wegspoelt wat het strand vlakker maakt.

      Het zand waarmee het strand van Ameland gesuppleerd werd, had een kleinere mediane korrelgrootte dan het oorspronkelijk aanwezige zand. Anderhalf jaar na de suppletie kwam de gemiddelde korreldiameter weer overeen met de oorspronkelijke korreldiameter.

      Ondanks de strandsuppletie in 2011 was zandvolume het strand van Ameland in 2012 niet duidelijk toegenomen. De stormen van in de winter 2011-2012 hadden ervoor gezorgd dat een groot deel van de strandsuppletie direct weer was weggespoeld.

      De strandsuppletie is zeer gefaseerd aangelegd waardoor het meest westelijke deel in de winter werd aangelegd en het meest oostelijke deel in de zomer. Na aanleg van de suppletie was de biomassa en het aantal bodemdieren lager dan voor aanleg van de suppletie. ‘Biomassa’ is het gewicht aan levend weefsel, exclusief schelpen en andere skeletelementen. Echter, na aanleg van de wintersuppletie werd eerder een toename in biomassa en het aantal bodemdieren waargenomen dan na aanleg van de zomersuppletie. Na anderhalf jaar was er geen verschil meer tussen beide suppletielocaties te ontdekken en kwam de bodemdiergemeenschap weer overeen met die van voor aanleg van de suppletie.

      Onder de volgende kopjes volgt een meer uitgebreide beschrijving van het onderzoek:

      Studiegebieden

      Methodiek van bemonsteren

      Morfodynamiek van het strand

      Samenstelling van het zand

      Bodemdieren in het zand van het strand

      Doorkijk naar vervolg


      Inleiding

      De bodem van de ondiepe Noordzee wemelt van het leven. Net boven de bodem zwemmen verschillende soorten vissen zoals schol en tong. Op de bodem kruipen dieren zoals de strandkrab, zeester en grijze garnaal. In de zeebodem leven schelpdieren zoals de Amerikaanse zwaardschede en het nonnetje maar ook wormen zoals de gemshoornworm en de zandzager. Veel van deze dieren zijn een voedselbron voor vogels en vissen.

      De resultaten voor de onderwateroever samengevat

      Wanneer een zandsuppletie wordt aangelegd worden de bodemdieren bedolven onder een laag zand. Als dit gebeurt, is het de vraag hoe snel het bodemleven zich weer kan herstellen, zeker als er al snel weer een nieuwe suppletie op het programma staat. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst goed weten welke bodemdieren in en rond een gesuppleerd gebied voorkomen, voorafgaand aan de suppletie. Vervolgens kan gekeken worden hoe groot de impact van een suppletie is en hoe lang het duurt voordat het bodemleven weer vergelijkbaar is met de situatie voor de suppletie.

      In 2010/2011 stond er voor de kust van Ameland een grote suppletie van 4,7 miljoen kubieke meter zand gepland. Dit bood een uitgelezen kans om de impact en et herstel van het bodemleven na een suppletie te onderzoeken. Voor de kust van Ameland is het bodemleven gevolgd over een periode van 5 jaar, precies één cyclus van suppleren. We monsterden in het jaar voorafgaand aan de suppletie (2010) en vervolgens jaarlijks tot vier jaar na de suppletie (2011 t/m 2014). In 2015 is er opnieuw een suppletie aangelegd.

      De tijd van het herstel van bodemleven varieerde tussen de één en drie jaar. Na die tijd was de bodemdiergemeenschap van het gesuppleerde gebied nauwelijks meer te onderscheiden van de onverstoorde gemeenschap. Ook vissen nabij de bodem kunnen een effect ondervinden van een zandsuppletie in hun leefgebied. Hun omgeving (het zand, de golven, de stromingen) verandert, maar ook hun prooidieren, de bodemdieren, worden beïnvloed. Vissen laten zich echter moeilijk bemonsteren, de natuurlijke variabiliteit is groot en in vergelijking vonden we slechts geringe effecten van suppleties op de visgemeenschap aan de bodem. Wel zijn er kleine effecten op soortniveau gevonden, bijvoorbeeld in lagere aantallen schol en hogere aantallen grondel in het suppletiegebied. Dit duidt erop dat er iets veranderd zou kunnen zijn in de omgevingsfactoren, waardoor het gebied op korte termijn meer of minder geschikt is voor specifieke soorten.

      Onder de volgende kopjes worden de resultaten van het onderzoek van de periode 2009-2015 beschreven:

      Studiegebieden

      Methodiek van bemonsteren

      Morfodynamiek van de vooroever

      Bodemkarakteristiek: Side-scan-sonar

      Samenstelling van het zand

      Bodemdieren die in de bodem leven

      Het effect van kokerwormen op de morfologie in de vooroever, modelberekeningen

      Bodemdieren die op de bodem leven

      Nabij de bodem levende vissen

      Doorkijk naar vervolg

      Inleiding

      Langs de hele Nederlandse kust komen vogelsoorten voor die hinder kunnen ondervinden van zandsuppleties. Suppletieactiviteiten kunnen verstoring veroorzaken en de voedselbeschikbaarheid aantasten. Zandsuppleties kunnen worden uitgevoerd op het strand tussen de laagwaterlijn en de duinvoet of onder water tegen de buitenste brekerbank op een diepte van 5 tot 8 meter beneden NAP. De mate waarin een vogelsoort hiervan hinder ondervindt hangt af van de manier waarop de soort de kust gebruikt en het type suppletie. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen broedvogels en foeragerende vogels. Foeragerende vogels kunnen bij suppletieactiviteiten soms uitwijken naar een andere locatie, maar broedende vogels hebben die mogelijkheid vaak niet. In het laatste geval is de kans groot dat dit leidt tot verlies van een heel broedseizoen, zelfs al zijn de activiteiten geweest beperkt tot een paar weken. Voor vogels die de kustzone gebruiken om te foerageren, kunnen de effecten sterk verschillen. Sommige soorten verblijven het hele jaar in de kustzone. Andere soorten kunnen uitwijken naar andere locaties, bijvoorbeeld binnendijks. Ook zijn er soorten die slechts delen van het jaar afhankelijk zijn van het kustgebied. Zo zijn overwinteraars er in winter, terwijl trekvogels de kustzone in het voor- en/of najaar gebruiken om op te vetten voor de migratie. Inzicht in deze factoren kan helpen om suppleties zo in te richten en te faseren dat de impact op vogels zo klein mogelijk is. 

      Samenvatting resultaten

      Kustvogels

      Op basis van literatuur over het voorkomen en potentiële gevoeligheid voor suppleties van kustvogels en expert judgement is een selectie gemaakt van elf vogelsoorten. De gekozen soorten komen voor langs delen van de Nederlandse kust waar gesuppleerd moet worden. Van deze elf soorten ondervinden de grote stern, roodkeelduiker, fuut, stormmeeuw, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw relatief weinig hinder van zandsuppleties door de manier waarop ze het leefgebied gebruiken. De aalscholver, strandplevier, bontbekplevier en de drieteenstrandloper zijn vooral in bepaalde periodes van het jaar gevoelig voor zandsuppleties. De zwarte zee-eend lijkt het meest gevoelig te zijn voor suppletieactiviteiten.

      Door rekening te houden met de timing en locatie van zandsuppleties kunnen negatieve effecten veelal gemitigeerd worden, bijvoorbeeld door het broedseizoen en foerageergebied te vermijden. In theorie kan voor de strandplevier, bontbekplevier en de drieteenstrandloper verstoring van het leefgebied gecompenseerd worden door het beperken van recreatie op de naastgelegen stranden. Voor de zwarte zee-eend kan het vermijden van schelpdierbanken en het behouden van een minimale vaarafstand tot de soort als mitigatie dienen. Voor de bontbekplevier geldt dat zandsuppleties het beste in de winter uitgevoerd kunnen worden, wanneer de vogels in relatief lage aantallen aanwezig zijn. Rijkswaterstaat houdt rekening met de aanwezige kustvogels. Wanneer nodig worden op sommige locaties op grond van de Natuurbeschermingswet gedurende een bepaalde periode geen activiteiten uitgevoerd of lopende activiteiten stil gelegd. Zo mag er in de winter niet nabij overwinterende Roodkeelduikers gesuppleerd worden.

      De drieteenstrandloper

      Van de drieteenstrandloper werd verwacht dat het effect van strandsuppleties op deze soort relatief groot zou zijn. Eerdere studies in het Waddengebied en de Noordzeekustzone gaven aan dat deze soort zijn voedsel zoekt langs de laagwaterlijn en een vrij beperkte dieetkeuze heeft. Dit laatste maakt een soort kwetsbaar. De drieteenstrandloper komt voor op zandstranden en droogvallende zandplaten langs de kust van Nederland, met een zwaartepunt in de Zeeuwse Delta en de Noordzeekust van de Waddeneilanden. Onderzoek in de Voordelta heeft laten zien dat de drieteenstrandloper in dit gebied juist een gevarieerd dieet heeft. Dit zorgt ervoor dat specifiek voor de strandsuppleties op de kust van Walcheren en Schouwen, ten aanzien van drieteenstrandlopers weinig effecten zijn te verwachten. Dit is enerzijds vanwege de lage aantallen drieteenstrandlopers op de kust van Walcheren en Schouwen, anderzijds vanwege het juist gevarieerde dieet van de soort in dit gebied. Buiten de Voordelta lijkt dit dier specifiek op gemshoornworm te foerageren, wat de soort mogelijk gevoeliger maakt voor strandsuppleties. 

       

      Onder de volgende kopjes staat een meer uitgebreide beschrijving van de resultaten uit het vogelonderzoek:

      Aanpak en selectie van vogelsoorten 

      Kustvogels in relatie tot zandsuppleties

      Drieteenstrandloper

      Doorkijk naar vervolg

      Workshops

      Door de jaren heen zijn verschillende workshops georganiseerd.

       

        NCK themadag 5 februari 2016

        Link naar NCK-thema dag programma

        Presentatie

        Inleiding

        S. Vergouwen

        H. Holzhauer - Meijer

        Resultatendag 28 januari 2016

        Presentaties

        Inleiding

        G. Ramaekers

        P. Damsma

        Rijkswaterstaat I&M

        Duinen

        B. van der Valk

        Deltares

        Vogels

        L. van Duren

        Deltares

        Morfologie

        T. Vermaas

        E. Elias

        L. Vonhögen - Peeters

        Deltares

         

        Bodemdieren strand en onderwateroever

        H.Holzhauer

        Deltares

        Demersale Vis en epibenthos

        A. De Backer

        ILVO

        NCK-dagen 27 maart 2014

        Link naar de NCK-dag pagina

        Presentatie

        T. Vermaas

        H. Holzhauer

        E. Elias

        Deltares

         

        R. Hoogland

        P. Damsma

        Rijkswaterstaat

         

        Discussiedag 29 april 2014

        Presentatie

        Discussie: toepassing resultaten

        H. Holzhauer

        Deltares

        Resultatendag 13 juni 2013

        Presentaties

        Kader en achtergrond

        H.Holzhauer

        Deltares

        Epibenthos en vis

        A. De Backer

        ILVO

        Bodemdieren strand en subtidaal 

        T. Vanagt

        eCoast

        Opzet Handreiking Kustvogels en zandsuppleties

        H.Holzhauer

        Deltares

        Beschermingsplan Duin & Kustvogels

        A. Voorbergen

        Vogelbescherming

        Ecologie in de suppletie praktijk

        P. Damsma

        RWS

        Resultatendag 25 mei 2012

        Presentaties

        De praktijk van zandsuppleties

        Hans van Zwol

        RWS Dienst Noordzee

         

        Theorie en praktijk: groenere uitvoering suppletie Ameland

        P. Damsma

        RWS waterdienst

        Duinen

        H. Everts

        B. Arens

        Bureau Arens

        Vooroever fysica

        L. Vonhögen

        Deltares

        Strand ecologie

        L. Leeuwis

        Grontmij

        Vooroever ecologie bodemdieren

        E. Verduin

        Grontmij

        Vooroever ecologie vis

        K. Goudswaard

        Imares

        Resultatendag 19 mei 2011

        Presentaties

        Programma van de dag

        W. van den Pangaard

        RWS Directie Noordzee

        Kustlijnzorg programma Rijkswaterstaat

        Rik Sonneveldt 

        RWS

        Fysische metingen

        H. Holzhauer

        Deltares

        Veldcampagne ecologie

        T. Vanagt

        eCoast

        Effecten op duinen

        B. Arens

        Bureau Arens

        Korte termijn onderzoek

        S. Marx 

        RWS

        Suppletieprogramma 2012-2015

        D. Slagter 

        RWS

        Kennis B&O Kust

        A. Bruens

        Deltares

        Parallelle sessie

        De optimale suppletie

        Voorbeeld score formulier:'De optimale suppletie' voor de parallelle sessies

        Verslag workshop 19 mei 2011

         

        Resultatendag 20 april 2010

        Op 20 april is de eerste bijeenkomst in het kader van het Middellange termijn onderzoeksprogramma, Ecologie en zandsuppleties gehouden in Utrecht. Het doel van deze bijeenkomst was:

        • de huidige stand van zaken van het onderzoek weergeven
        • het bewust worden van de kennisvragen van de NGO's
        • de connectie van het onderzoek met de praktijk
        • de onderzoeksprogrammering voor 2010 weergeven
        • discussie over het onderzoek voor Branding en strand en Duinen

        Presentaties

        Inleiding

        B. van der Valk

        Deltares

        Suppletieprogramma RWS

        A. Roos

        RWS

        Morfologie van de kust

        A. van der Spek

        Deltares

        Resultaten onderzoek 2009

        B. van der Valk

        Deltares

        Review MLTP

        T. Vanagt

        Grontmij

        Onderzoek in het kader van de MEP-zandwinning

        M. Rozemeijer

        RWS

        Belangen Natuurbeschermingsorganisaties

        M. van Leeuwe

        De Waddenvereniging

        Werkplan 2010

        H.Holzhauer

        Deltares

        Posters

        Parallelle discussie

        Duinen

        B. Arens

        Bureau Arens

        Brandingszone en strand

        G. Janssen

        vrije Universiteit Amsterdam

        Foto's

        verslag


        Workshop Duinen 29 juni 2009

        Doel van de Workshop

        De workshop vloeit voort uit de samenwerkingsovereenkomst tussen RWS en de natuurbeschermings-organisaties, waarin RWS geld heeft toegezegd om onderzoek te doen naar de ecologische effecten van zandsuppleties. Daarvoor stelt Deltares een meerjarig onderzoeksprogramma op (het zogenaamde MLTP: Midden Lange Termijn Programma).Waterdienst en Deltares hebben daarom gezamenlijk het initiatief genomen voor de workshop.De workshop is verdeeld in twee dagdelen. Het doel van ochtend was om kennisleemtes en onderzoeksvragen/ hypothesen te definiëren met betrekking tot de effecten van suppleties op de duinen.

        Het doel van de middag was om concrete aanbevelingen te geven voor de uitvoering van de in 2010 geplande suppleties voor Ameland (zowel op het strand als onderwater),om zoveel mogelijk rekening te houden met de natuurwaarden van de duinen. Door het relatief grote gebied en hoeveelheid zand dat gesuppleerd zal gaan worden, kunnen de suppleties mogelijk een significant effect hebben op de beschermde gebieden. Deltares zal de resultaten van deze workshop gebruiken om het 6-jarig onderzoeksprogramma 'ecologisch gericht suppleren' verder in te vullen, voor het onderwerp duinen.

        Workshop Cumulatie en transport 26 juni 2009

        Doel van de Workshop

        Doel van de workshop was om kennisleemtes en onderzoeksvragen over de effecten van huidige vormen van suppleren verder te definiëren. Dit dient als input en aanscherping van het MLTP. Specifieke onderwerpen voor deze workshop waren effecten van cumulatie en effecten van regionale uitstraling. De workshop vloeit voort uit de samenwerkingsovereenkomst tussen RWS en vier natuurbeschermingsorganisaties (Waddenvereniging, Vogelbescherming, Stichting de Noordzee, Stichting Duinbehoud), waarin is vastgelegd dat er een 6-jarig onderzoek naar de ecologische effecten van suppleties plaatsvindt. Deltares stelt in dit kader een meerjarig onderzoeksprogramma op.

        Presentaties

        Stukken

        Agenda

        Inleiding

        B. van der Valk

        Deltares

        Huidige suppletiepraktijk

        Jan Mulder

        Deltares

         

        Morfologische processen

        Dirk-jan Walstra

        Deltares/TU Delft

        Regionale uitstraling

        B. van der Valk

        Deltares

         

        verslag

        Verslag workshop 26 juni

        • No labels