Invalid license: Your evaluation license of Refined expired.

POVM > Vragen en Antwoorden

Zit uw vraag er nog niet bij? Stel uw vraag dan aan povm@deltares.nl.

Antwoorden met de status 'Definitief' zijn beoordeeld en vastgesteld door de redactieraad en waar nodig ook door de omringende expertgroep. Antwoorden met de status 'Voorlopig' zijn dat nog niet.

De vragen en antwoorden zijn als volgt gerubriceerd:

Gebruik de zoekfunctie in uw browser om specifieke termen op deze pagina te vinden.



Algemeen

Waarvoor zijn de POVM publicaties toepasbaar?

Wanneer geen ruimte is voor een traditionele versterking van een primaire waterkering in grond, geven de POVM publicaties  aanwijzingen om verschillende alternatieve stabiliteitsverhogende technieken te kunnen ontwerpen, beoordelen en beheren, en om de actuele sterkte voorafgaand zo scherp mogelijk te kunnen beoordelen. De gegeven aanwijzingen beperken zich grotendeels tot een ontwerp en beoordeling voor de functie 'waterkeren', binnen de kaders van de Waterwet.

Is toepassing van de POVM publicaties verplicht?

Er bestaat geen wettelijke verplichting om de POVM publicaties toe te passen. De opdrachtgever bepaalt daarom zelf hoe de (deel)tekst van de POVM publicaties moet worden geïnterpreteerd door de opdrachtnemer.   De formuleringen in de PPL, PPV en PPE zijn wel zo gekozen dat ze als voorschrift gebruikt kunnen worden, voor het geval de opdrachtgever daarvoor kiest.

Terug naar boven




Publicatie Langsconstructies (PPL)

Knik en tweede-orde momenten

Wat moet ik doen wanneer de kniktoets volgens NEN-EN1993-5 ontwerpbepalend wordt?

Voor het geval dat de kniktoets volgens NEN-EN199305 ontwerpbepalend wordt, is in § 11.8.5 en bijlage F van de PPL aangegeven hoe de twee-orde effecten ook op een doorgaans minder conservatieve wijze in rekening kunnen worden gebracht. Zie ook: POVM Kennisdocument - Controle op knik en 2e orde effecten in stabiliteitsverhogende langsconstructies.

In Bijlage F (Berekening tweede orde momenten) wordt gerefereerd aan de elastische weerstand. Waarom is dit niet de plastische weerstand? Verder wordt de kniklengte beschreven als de afstand tussen ankerbevestiging en damwandteen. Waarom is dit niet de afstand tussen de momentnulpunten?

NOG TE BEANTWOORDEN.

Terug naar boven

Kistdam

In de PPE/PPL is het onduidelijk of de kistdam vulling getoetst moet worden conform CUR. In PPL par 15.1 staat hier wat over maar dit blijft onduidelijk. Zijn hierover nieuwe inzichten beschikbaar?

Het toetsen van de kistdamvulling staat in H20 van de PPL benoemd als kennisleemte. Sindsdien is daarin nog niets veranderd. In H20 staat verder: Voor de onderwerpen waar de huidige PPL versie nog onvoldoende handvatten geeft moeten de opdrachtgever en/of de opdrachtnemer binnen elk dijkversterkingsproject intussen zelf  nadere keuzes maken. Een goed vastgelegde en gevalideerde onderbouwing is daarbij vereist, waar mogelijk ondersteund door specifieke kwaliteitscontroles tijdens en na uitvoering. Aan de opdrachtgever wordt aanbevolen om de benodigde onderbouwing en de uit te voeren kwaliteitscontroles te laten opstellen of valideren door deskundige partijen, die daartoe door de opdrachtgever zelf moeten worden aangewezen (zie ook bijlage D). Het is dus vooralsnog aan opdrachtnemer en opdrachtgever zelf om hierin keuzes te maken en om deze keuzes voldoende te onderbouwen en te laten controleren.

Hoe moet ik controleren op verticaal evenwicht wanneer de onderling verbonden wanden van de kistdam zo dicht bij elkaar staan dat de kistdam als samengestelde ligger gaat werken, waarbij door buiging een trekkracht in een van de wanden ontstaat?

VOORLOPIG. De PPL voorziet niet direct in een dergelijke situatie. Maar wanneer de zandlaag ook een trekkracht moet kunnen leveren, dan moet daarop uiteraard wel passend worden gecontroleerd.

Waar moet ik bij een kistdamontwerp extra op letten?

VOORLOPIG. Met een ontwerp of beoordeling van een kistdam volgens PPL en PPE is nog weinig ervaring opgedaan.  Maar ten opzichte van een enkelvoudige wand moet er bij een kistdamontwerp in ieder geval extra aandacht worden gegeven aan de volgende zaken:

  • De interactie tussen de wanden via ankers en tussenliggende grond;
  • De modellering van de kistdamvulling en de impact van zettingen daarop;
  • De invloed van de initiële spanningstoestand;
  • De te beschouwen belastingcombinaties om tot maatgevende krachten te komen;
  • De invloed op de geohydrologie.

Terug naar boven

Ankerkracht

De PPL stelt in Bijlage B.1 (berekening extra ankerkracht door zakkende grond) dat de waarde van de invloedsfactor α altijd gelijk is aan 9 bij het bepalen van de belasting door zakkende grond op ankerstangen. Deel 2 van de CUR166 (paragraaf 4.9.13) stelt echter dat de factor bij horizontale ankerconstructies (kistdammen en ankerschotten) gelijk is aan 5.

De invloedsfactor α bepaalt de maximale belasting van de grond op het anker, gegeven een ongedraineerde schuifsterkte. Uit experimenteel onderzoek  is gebleken dat een invloedsfactor α gelijk aan 9 zowel van toepassing is voor schuine als voor horizontale ankerconstructies. Dit onderzoek is gerapporteerd in: Ontwerp stabiliteitsschermen (type II) in primaire waterkeringen (groene versie), Achtergronden, concept rapport nr. 1205887-000-GEO-0012, versie 5.

Bij de berekening van de extra ankerkracht door zakkende grond moet volgens de CUR166 rekening worden gehouden met een stijfheid k' van de door de grond ondersteunde wand. De CUR166 geeft voor de k' een formule die is gebaseerd op een elastisch ondersteunde ligger. Deze formule is echter afgeleid voor een horizontale ankerligging en voldoende gronddekking op het anker. Daaraan wordt doorgaans niet voldaan. Mag deze k' daarom wellicht direct worden bepaald uit de eindige-elementenberekening, als de verhouding tussen de ankerkrachttoename in fase 3b en de daarbij optredende verkorting van het anker?

NOG TE BEANTWOORDEN.

Moet bij de berekening van de ankerkracht na ankeruitval wel of niet een schematiseringsfactor worden meegenomen? De PPL tekst geeft daarover tegenstrijdige informatie in tabel 4.2 (niet), voetnoot 9 op bladzijde 52 (niet) en in tabel 4.3 (wel).
VOORLOPIG. De ankerkracht moet conform § 11.9.5 worden bepaald in rekenstap 4b, dus zonder toepassing van een geotechnische schematiseringsfactor.  In § 11.9.5 staat verder: bij deze toets zijn de belastingeffect-factoren op de snedekrachten gelijk aan 1,0Dit correspondeert met voetnoot 9 en tabel 4.2, maar is inderdaad niet eenduidig met de tekst in tabel 4.3.  De juiste tekst in tabel 4.2, voetnoot 9 en § 11.9.5 zou daarom moeten zijn dat alle belasting-effectfactoren gelijk aan 1 zijn, uitgezonderd de schematiseringsfactor op de ankerkracht. De schematiseringsfactor op de ankerkracht moet dus wel worden toegepast.


In bijlage B.1.3. van de PPL wordt de modelfactor voor geval 1 in afwijking van CUR166 op β=24 gesteld in plaats van op β=4π2. Voor geval 2 wordt β niet beschreven en wordt verwezen naar de methode conform CUR166. Moet ik bij geval 2 nu de factor 4π2 aanhouden en op basis van deze factor de y0 bepalen t.b.v. daarop volgende bepaling van α?. Of moet ik bij geval 2 de factor 24 aanhouden, zodat y0 overeenkomt met de y0 uit geval 1?
NOG TE BEANTWOORDEN.

Terug naar boven

Gordingen

Moeten gordingen van doorlopende damwanden ook d.m.v. boutverbindingen worden vastgemaakt?

VOORLOPIG. Een boutverbinding is alleen vereist bij discontinue wanden (zie ook hierna, onder 'Discontinue damwanden').  Bij een doorlopende wand is een lasverbinding wel toegestaan.

In de OSPW waren gordingen voor onverankerde wanden nog niet verplicht. Hoe moet ik in de beoordeling omgaan met volgens de OSPW ontworpen onverankerde wanden met ontbrekende gording?

VOORLOPIG. Voor het volgens de PPL beoordelen van bestaande wanden staan in H20 van de PPL een aantal kennisleemtes benoemd, waaronder het geval van een ontbrekende gording bij een bestaande discontinue wand. In H20 staat verder: Voor de onderwerpen waar de huidige PPL versie nog onvoldoende handvatten geeft moeten de opdrachtgever en/of de opdrachtnemer binnen elk dijkversterkingsproject intussen zelf  nadere keuzes maken. Een goed vastgelegde en gevalideerde onderbouwing is daarbij vereist, waar mogelijk ondersteund door specifieke kwaliteitscontroles tijdens en na uitvoering. Aan de opdrachtgever wordt aanbevolen om de benodigde onderbouwing en de uit te voeren kwaliteitscontroles te laten opstellen of valideren door deskundige partijen, die daartoe door de opdrachtgever zelf moeten worden aangewezen (zie ook bijlage D). Het is dus vooralsnog aan opdrachtnemer en opdrachtgever zelf om hierin keuzes te maken en om deze keuzes voldoende te onderbouwen en te laten controleren.

Terug naar boven

Wand-plasticiteit

Heeft het in de PPL voorgeschreven lineair-elastische materiaalgedrag van een damwand geen ongewenst gunstige invloed op de berekende stabiliteit?

De keuze voor  lineair-elastisch materiaalgedrag in alle rekenfasen is gemaakt omwille van eenvoud en eenduidigheid. Deze vereenvoudiging heeft naar verwachting een verwaarloosbare invloed op de nauwkeurigheid van de geotechnische stabiliteitsbeoordeling. De stapsgewijze uitleg daarvoor volgt hierna.

  • De PPL schrijft voor dat tijdens de constructieve toets geen damwandplasticiteit mag optreden. Tot en met deze toets levert het verwaarlozen van plastisch gedrag dus geen tekortkomingen op.
  • Tijdens een eventuele laatste rekenstap  moet worden gecontroleerd of de stabiliteitsfactor voor het 'basisscenario' groter of gelijk is aan een geotechnische schematiseringsfactor.  Bij een uitgekiend ontwerp heeft de schematiseringsfactor van het 'basisscenario' een waarde tussen de 1,0 en 1,1. In het geval van een schematiseringsfactor gelijk aan 1 vervalt de laatste stap.  De eventuele invloed van het verwaarlozen van damwandplasticiteit beperkt zich dus tot de laatste rekenstap, die alleen nodig is wanneer de geotechnische schematiseringsfactor groter is dan 1. 
  • Plasticiteit zal bij het gekozen profiel  in de laatste rekenstap pas optreden zodra het effect van de geotechnische schematiseringsfactor op het buigende moment, via de grondsterktereductie, groter wordt dan het effect dat de constructieve schematiseringsfactor en verdere belastingeffectfactor eerder al rechtstreeks heeft gehad op het buigend moment.  Verwacht wordt dat deze effecten in de praktijk dicht bij elkaar liggen, zodat de invloed van niet-lineair gedrag binnen de laatste rekenstap in praktijk verwaarloosbaar is.

Terug naar boven

Damwandprofielen die alleen boven de grondwaterstand klasse 4 zijn

Volgens de PPL zijn klasse 4 profielen niet toegestaan omdat elastisch moet worden getoetst. Vanwege de verschillende corrosietoeslag kunnen bepaalde profielen boven de grondwaterstand echter in klasse 4 vallen en daaronder in klasse 3. Mag dit profiel worden toegepast wanneer het maximale moment onder de grondwaterstand optreedt?
VOORLOPIG. Het lijkt aanvaardbaar om klasse 4 boven de grondwaterstand toe te staan wanneer de momenten in die zone ruimschoots niet maatgevend zijn.

Terug naar boven

Discontinue damwanden

Is het noodzakelijk om dubbele planken van discontinue wanden door ponsen schuifvast te verbinden?

VOORLOPIG. Ja, de PPL vereist bij openingen in de damwanden  inderdaad dat er mi­nimaal twee dubbele profielen in het slot worden geplaatst, die in de fabriek zijn geponst. De reden daarvoor is dat de volgens de PPL toe te passen factor 0,9 op het weerstandsmoment is gebaseerd op de aanname van schuif- en buigvastheid. Wanneer niet wordt geponst zou een lagere factor gehanteerd moeten worden, omdat het profiel in het discontinue wanddeel dan minder vormvast is en dus makkelijker kan afplatten. Welke factor dan gehanteerd moet worden is zonder nader onderzoek echter niet bekend. Wanneer geen geschikt materieel aanwezig is voor het drukken van dubbele planken en wanneer drukken toch wenselijk of nodig wordt geacht kan daarvoor dus niet op de PPL worden teruggegrepen.

Ponsen van dubbele planken is overigens niet vereist bij een doorlopende wand (zonder openingen).

2. Moeten gordingen van discontinue damwanden d.m.v. boutverbindingen worden vastgemaakt?

VOORLOPIG. Ja, volgens de PPL moeten de gordingen bij een discontinue wand door middel van boutverbindingen bevestigd worden.  Een lasverbinding is bij een discontinue wand niet toegestaan, omdat de planken van discontinue wanden daarvoor in de praktijk niet altijd voldoende op één rechte lijn liggen.

Mag bij discontinue damwanden de maximale tussenmaat van 1m worden verruimd tot de werkende plankbreedte?

VOORLOPIG. De maximale maat van 1 meter is gekozen om gecompliceerde controles op snijden en 3D effecten te vermijden. De mogelijkheden van eindige-elementen-rekenmethoden zijn daarvoor nog te beperkt. Wanneer wordt gekozen voor grotere tussenafstanden kan dus niet meer op de PPL worden teruggegrepen en is onderbouwing nodig langs andere weg.

Terug naar boven

Constructies op palen

Hoe moet ik een betonnen L-wand op palen beoordelen?
De PPL en PPE beperken zich tot beoordeling van macrostabiliteit onder invloed van in de grond ingebedde langconstructies en zijn dus niet direct toepasbaar voor de beoordeling van L-wanden. Dit staat ook benoemd als kennisleemte in H20 van de PPL. In H20 staat verder: Voor de onderwerpen waar de huidige PPL versie nog onvoldoende handvatten geeft moeten de opdrachtgever en/of de opdrachtnemer binnen elk dijkversterkingsproject intussen zelf  nadere keuzes maken. Een goed vastgelegde en gevalideerde onderbouwing is daarbij vereist, waar mogelijk ondersteund door specifieke kwaliteitscontroles tijdens en na uitvoering. Aan de opdrachtgever wordt aanbevolen om de benodigde onderbouwing en de uit te voeren kwaliteitscontroles te laten opstellen of valideren door deskundige partijen, die daartoe door de opdrachtgever zelf moeten worden aangewezen (zie ook bijlage D). Het is dus vooralsnog aan opdrachtnemer en opdrachtgever zelf om hierin keuzes te maken en om deze keuzes voldoende te onderbouwen en te laten controleren.

Terug naar boven

BGT

Conform NEN9997-1/EC7 dient een drempelwaarde gehanteerd te worden tussen BGT en UGT snedekrachten/ankerkrachten. Bij RC1/2 bedraagt deze drempelwaarde 1,2*BGT en bij RC3 1,35*BGT krachten. Indien deze drempelwaarde tijdens het toetsen van snedekrachten na het toepassen van de schematiseringsfactor niet word gehaald, dient dan de drempelwaarde van 1,2/1,35*BGT gehanteerd te worden? In de PPE/PPL is hier geen duidelijk antwoord op terug te vinden.

De PPL beschrijft alleen een controle op basis van de Waterwet en niet op basis van het Bouwbesluit. Volgens de Waterwet is alleen een UGT controle vereist. De term BGT komt daarom in de PPL niet voor en de genoemde drempelwaarde tussen de BGT en UGT snedekrachten is daarom ook niet van toepassing. 

De in de PPL voorgeschreven vervormingscontrole moet binnen dit kader ook niet als BGT controle worden gezien: het is uitsluitend een UGT controle op door vervorming geïnitieerd falen, door andere mechanismen dan macro-stabiliteit.

Terug naar boven

Buitenwaartse stabiliteit

Welke maximaal toelaatbare faalkans geldt voor de buitenwaartse stabiliteit bij het toepassen van een stabiliteitsverhogende langsconstructie? En hoe zit het dan met het eventueel beschadigen van de ankerconstructies?

VOORLOPIG. Conform de PPL kan voor de controle op buitenwaartse stabiliteit dezelfde faalkanseis worden gebruikt  als voor een dijk zonder langsconstructie, zolang de langsconstructie alleen bedoeld is voor verhoging van de binnenwaartse macro-stabiliteit en zolang de langsconstructie ligt tussen de binnenkruin en de binnenteen van de dijk. In het geval van een verankerde wand wordt aanbevolen om tijdens de controle ook na te gaan of de ankerconstructie niet kan beschadigen bij de gevonden maatgevende ligging van het buitenwaartse glijvlak.

Terug naar boven



Publicatie Vernageling (PPV)

Terug naar boven



Publicatie Eindige-elementen (PPE)

Initiële spanningen

Waarom vindt de spanningsinitialisatie plaats via een K0 procedure en niet via een 'Gravity Loading'?

VOORLOPIG. De reden om geen gravity loading toe te passen voor een bestaande dijk is dat alleen via een K0 procedure rekening kan worden gehouden met een bestaande grensspanning in en onder de dijk.

Terug naar boven

Restprofiel

Hoe moet een restprofiel in combinatie met gereduceerde ongedraineerde schuifsterkte worden gemodelleerd?

De PPE geeft voor deze kennisleemte nog geen volledig eenduidige aanwijzingen.  Dit komt omdat de eerder in de OSPW gebruikte aanpak (talud restprofiel gelijk aan 1/3 van de oorspronkelijke hoogte, zonder aanpassing van de schuifsterkte in de verstoorde zone) was afgeleid voor gedraineerde sterkte. Voor ongedraineerde sterkte is deze aanpak mogelijk onvoldoende conservatief. Een eerste voorstel voor de modellering bij niet-significante overslag is te vinden in het POVM Kennisdocument - Modellering Restprofiel.

Waarom vindt bij de overgang naar een restprofiel na rekenstap 4a geen her-initialisatie plaats van de ongedraineerde sterkte volgens SHANSEP via de 'Special Options' in PLAXIS?

VOORLOPIG. Bij her-initalisatie wordt de ongedraineerde sterkte gebaseerd op de effectieve spanningen in combinatie met de actuele grensspanning. Deze actuele grensspanning blijft bij de introductie van een restprofiel onveranderd.  Het effect op de ongedraineerde sterkte zal daarom (te) beperkt blijven om via deze weg de reductie van de ongedraineerde sterkte in de verstoorde zone te modelleren. Aanpassing van de effectieve verticale spanningen door introductie van het restprofiel vereist verder overigens dat bij de overgang op het restprofiel gedraineerd gedrag wordt gemodelleerd.

Waarom wordt het toelaatbaar overslagdebiet alleen beperkt wanneer een restprofiel al optreedt bij de vervormingstoets en niet wanneer het restprofiel optreedt tijdens de controle op constructieve sterkte of stabiliteit?

VOORLOPIG. In PPL § 4.8.4 en § 4.8.7 wordt aanbevolen om het kritieke overslagdebiet te beperken tot niet-significante waarden wanneer een niet-kritische instabiliteit al optreedt tijdens de vervormingscontrole.  Deze aanbeveling is samengevat in PPE  § 2.3.  De PPL en PPE suggereren echter ten onrechte dat deze beperking alleen tijdens de vervormingscontrole geldt.  De beperking  geldt ook  wanneer een niet-krische instabiliteit optreedt bij het 'infiltratiescenario' (bij significant overslagdebiet), tijdens de controle op constructieve sterkte of stabiliteit. Zie  § 5.4.4 van de PPL voor verdere toelichting op dit infiltratiescenario.

Hoe moet de invloed van significante overslag op een restprofiel worden gemodelleerd wanneer een niet-kritische stabiliteit optreedt?

De PPE geeft voor deze kennisleemte geen aanwijzingen. Dit komt omdat in § 4.8.4 van de PPL staat dat significante overslag  niet is toegelaten in combinatie met het optreden van een niet-kritische stabiliteit. In praktijk bestaat echter toch de wens om wel met die combinatie te kunnen rekenen, omdat kruinverhoging niet altijd mogelijk of wenselijk is. Voor die gevallen is een eerste voorstel opgesteld voor het modelleren van de ontgrondingskuil in combinatie met een restprofiel plus gereduceerde ongedraineerde sterkte. Zie het POVM Kennisdocument - Restprofiel bij grote overslag

Welk restprofiel moet ik modelleren na een niet-kritische buitenwaartse instabiliteit? Er is dan geen duidelijke overgang tussen talud en onderwaterprofiel. En het is ook niet duidelijk hoe het effect van stroming en erosie in rekening zou moeten worden gebracht.
De PPE geeft voor deze kennisleemte geen aanwijzingen. Ook de POVM kennisdocumenten houden nog geen rekening met deze situatie.  Het is dus vooralsnog aan opdrachtnemer en opdrachtgever zelf om hierin keuzes te maken en om deze keuzes voldoende te onderbouwen en te laten controleren.
Welk restprofiel moet ik modelleren en welke verstoringszone moet ik aanhouden wanneer de niet kritische instabiliteit in het binnentalud niet reikt tot de stabiliteitswand in het buitentalud?

VOORLOPIG. De PPE geeft voor deze kennisleemte geen aanwijzingen.  Ook het recente POVM Kennisdocument - Modellering Restprofiel houdt nog geen rekening met deze situatie. Het is dus vooralsnog aan opdrachtnemer en opdrachtgever zelf om hierin keuzes te maken en om deze keuzes voldoende te onderbouwen en te laten controleren. Advies is om het restprofiel en de verstoorde zone in ieder geval wel tot de damwand te laten doorlopen.


Terug naar boven

Kruip

Waarvoor is/was de kruipfase bedoeld?

VOORLOPIG. De kruipfase is begin 2019 vooral geïntroduceerd om kleefbelasting op een langsconstructie te modelleren, onder invloed van grond-constructie interactie. Tot en met de concept versies 1.1 van de PPE (juli 2019) en de  PPL (oktober 2019) werd het modelleren van deze kleefbelasting  nodig geacht voor: (a) de bepaling van de normaalkracht voor wanddimensionering en (b) een op verplaatsingen gebaseerde controle van het verticaal evenwicht.  Bij introductie was het (nog) niet het doel om ook de invloed van de horizontale component van kruip op de wandmomenten realistisch te modelleren.

In de definitieve versie van de PPL en PPE (maart 2020) is voor de controle op verticaal evenwicht overgestapt op een bepaling van de draagkracht van het zand uit conusweerstand. Bij deze controle wordt aan de belastingkant geen rekening meer gehouden met het effect van negatieve kleef, omdat die met een beperkte neerwaartse verplaatsing weer zal worden geneutraliseerd. Zie het POVM Kennisdocument - Verticaal evenwicht bij verankerde stabiliteitsverhogende langsconstructies voor details. Sindsdien is de kruipfase volgens het oorspronkelijke doel dus alleen nog nodig om de normaalkracht voor de wanddimensionering te bepalen.

In hoeverre de kruipfase in combinatie met het 'Soft Soil Creep' model ook toepasbaar is om het effect van horizontale kruip op wandmomenten op realistische wijze in rekening te brengen is nog onvoldoende onderzocht (kennisleemte).

Wat is de functie van de initiele kruipfase voordat de langsconstructie wordt geplaatst en hoe bepaal ik de benodigde duur daarvan?

VOORLOPIG. De initiële kruipfase voordat de langsconstructie wordt geplaatst is/was bedoeld om de initiële spanningsrotaties als gevolg van kruip geen significante invloed te laten hebben op de wandmomenten. De benodigde duur wordt proberenderwijs bepaald, door te controleren of na het aanbrengen van de langsconstructie  onder onveranderde dagelijkse omstandigheden door verdere kruip geen significante wandmomenten ontstaan. In hoeverre de PPE gegeven  indicatie van 10 jaar initiële kruip toereikend is moet dus wel worden gecontroleerd. 

Moet ik een kruipfase modelleren bij een onverankerde wand in het buitentalud? De kruip leidt dan tot afname van de bij hoogwater berekende momenten.

VOORLOPIG. De kruip is/was primair bedoeld om kleef te modelleren, en  niet om een significante invloed op de wandmomenten te hebben.  Wanneer er bij onverankerde wanden in het buitentalud, ondanks een lange initiële kruipfase, echter toch een significante gunstige invloed op het moment wordt waargenomen, ligt het in de rede om de wanddimensionering voor binnenwaartse stabiliteit te baseren op het wandmoment uit een berekening zonder kruip, in combinatie met de normaalkracht op dezelfde hoogte uit een berekening met kruip.

Is het nodig om de kruip te fitten op de bekende maaiveldzetting?

Het doel van het meenemen van kruip is/was primair om het effect van de kleefbelasting op de snedekrachten te modelleren. Deze kleefbelasting is niet van de precieze zetting afhankelijk. Om alleen kleefbelasting te modelleren is het daarom niet nodig om de kruip precies te fitten op de bekende maaiveldzetting.  Verder bestaat soms de misvatting dat via de kruipberekening ook de invloed van maaiveldzetting op de geometrie zou worden meegenomen. Zoals § 3.4.6 van de PPE aangegeven moet de invloed van maaiveldzetting op de geometrie tijdens de levensduur echter handmatig in rekening worden gebracht aan de start van een reguliere (geometrisch lineaire) berekening. Dat kan door zelf de aangenomen geometrie bij einde levensduur te modelleren.  

Terug naar boven

Ankerkracht

In een schematisering volgens de PPE wordt de gunstige invloed op het moment genegeerd van de excentriciteit in de aangrijpende ankerkracht. Deze ankekracht grijpt aan in de buik aan landzijde. Kan hierover iets in de PPE (of PPL) tekst worden opgenomen?

NOG TE BEANTWOORDEN.

Welke ankerkracht is maatgevend wanneer de waarde in fase 4b groter is dan de waarde in fase 5a?

VOORLOPIG. De grootste waarde uit fase 4b en 5a is maatgevend.

Terug naar boven

Constitutieve modellen

Wanneer/waarom is in rekenstap 4b (vervormingscontrole) een overstap nodig van 'Soft Soil' naar 'SHANSEP'/undrained?

VOORLOPIG. De overstap op SHANSEP in stap 4b is alleen nodig wanneer er voor wordt gekozen om al bij de vervormingscontrole in fase 4b  een tijdelijke bovenbelasting/verkeersbelasting aan te brengen. In dat geval wordt door PLAXIS bij de overstap naar SHANSEP een ongedraineerde schuifsterkte berekend bij de effectieve spanningen die gelden voordat deze verkeersbelasting wordt aangebracht.  Zoals in par 3.4.8 aangegeven is het bij toepassing van verkeersbelasting in fase 4b overigens ook mogelijk om in die fase nog te rekenen met 'Soft Soil' in combinatie met 'Undrained', zolang in de eerder rekenfasen geen (grensspanningverhogende) kruip heeft plaatsgevonden.

Waarom mag 'Ignore Undrained' niet aanstaan bij gebruik van SHANSEP?

VOORLOPIG.  Het SHANSEP NGI-APD model baseert zich op totale spanningen.   Bij 'Ignore Undrained' zou het SHANSEP NGI-APD model daarbij echter alleen met de bulk modulus van de gedraineerde grond rekenen, zoals bepaald op basis van de ingevoerde dwarscontractiecoefficient en de actuele glijdingsmodulus G_ur bij ontlasten/herbelasten. PLAXIS voegt bij de optie 'Undrained' de bulkmodulus van het water toe aan die van de gedraineerde grond, waardoor de grond bij benadering onsamendrukbaar wordt. De in combinatie met SHANSEP berekende waterspanningen door verhinderde samendrukking hebben verder geen invloed op de schuifsterkte.

Welke cohesie mag ik bij 'Hardening Soil' toekennen aan de toplaag in het geval van een zanddijk zonder bekleding?

VOORLOPIG. Het toepassen van kleine cohesiewaarden in toplagen (indicatief tot 2 kPa) is gebruikelijk om ondiepe glijvlakken te voorkomen en een controle op werkelijke macrostabiliteit te kunnen uitvoeren. Een dergelijke keuze mag echter geen significante invloed hebben op de berekening, en dus ook niet op de aan te houden schematiseringsfactor. Bij twijfel wordt een gevoeligheidsstudie aanbevolen.

Terug naar boven



Publicatie Grondverbetering (PPG)

Terug naar boven



Publicatie Drainagetechnieken (PPD)

Terug naar boven



Publicatie Actuele Sterkte (PPA)

Terug naar boven

  Gebruik het navigatiemenu linksboven in de kantlijn om te zoeken en te bladeren.