Child pages
  • Ecologisch gericht suppleren

Versions Compared

Key

  • This line was added.
  • This line was removed.
  • Formatting was changed.

...

Deck of Cards
idEcologischSuppleren
Card
defaulttrue
labelHome

Ecologisch gericht suppleren, nu en in de toekomst

Het programma "Ecologisch gericht suppleren, nu en in de toekomst" is een onderzoeks- en monitoringporgramma met als doelstelling meer inzicht te krijgen of, en in welke mate, zandsuppleties van invloed zijn op de natuurwaarden. Daarnaast wordt gekeken op welke wijze zandsuppleties in de nabije toekomst kunnen bijdragen aan opgaven van veiligheid samen met natuurbehoud en -ontwikkeling. Het doel van het programma is een optimalisatie van het dynamisch beheer en behoud van de kustlijn en bescherming van kustecosystemen.

Alle rapportage zijn terug te vinden onder op de algemene productenpagina


Programma 2016-2020

De komende jaren zal er in samenwerking met Imares een onderzoeksprogramma uit worden gevoerd. Hierin zijn de vragen van de natuurbeschermingsorganisaties samengebracht in drie krachtlijnen die elk focussen op de ecologische effecten van suppleren op de middelgrote (regionaal) tot grote (landelijk) schaal en de middellange tot lange termijn. Er zal in dit onderzoeksprogramma aandacht worden besteed aan de vragen in de ondiepe kustzone, vragen met betrekking tot landschapsdifferentiatie van de duinen langs de Nederlandse kust, en er wordt geanticipeerd op vragen in het Waddengebied door aan te sluiten bij een bestaande database.


Afgerond programma 2009 - 2015

In 2009 is in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam en IMARES een 6-jarig onderzoeksprgramma opgesteld. Hierin zijn de vragen van de natuurbeschermingsorganisaties samengebracht in vier onderzoekscategorieen:

  • Strand
  • Duinen
  • Ondiepe kustzone
  • Vogels

 

Deck of Cards
idHome
Card
idAchtergrond
labelAchtergrond
titleAchtergrond

Achtergrond

De Nederlandse kust wordt dynamisch op zijn plaats gehouden door middel van zandsuppleties. Onder zandsuppletie wordt de gehele keten van winning, transport en aanbrengen van zand op locatie verstaan. In het huidige beleid is vastgelegd dat de basiskustlijn, die voor een groot deel overeenkomt met de kustlijn van 1990, wordt gehandhaafd ten behoeve van de veiligheid. Tekorten van het gehele kustfundament, als gevolg van zeespiegelstijging of morfologische aanpassingen, worden aangevuld. Deze manier van kustbehoud is uniek.
Het zand dat als grondstof dient, wordt gewonnen in dieper water, voorbij de doorgetrokken -20 meter diepte lijn. De suppletie kan op meerdere manieren worden uitgevoerd: op de vooroever, op het strand, langs een geulwand en in uitzonderlijke gevallen als duinverzwaring.

Door zandsuppleties wordt de natuurlijke zandige kust veilig gesteld. Deze dient niet alleen ter bescherming tegen het water, maar heeft ook vele gebruikersfuncties, zoals wonen, recreatie en maritieme toegang. Daarnaast heeft de kust een hoge natuurwaarde die op nationaal en Europees niveau beschermd wordt.

De invloed van zandsuppletie op de biotiek en abiotiek is nog niet volledig duidelijk. Zandsuppletie beïnvloed zowel de morfologie van de diepere delen van de bodem offshore, als van de vooroever, het strand en de duinen, maar het is grotendeels onbekend hoe de morfologie veranderd. Daarnaast is het niet duidelijk welk gevolg deze van morfologische veranderingen hebben op biologische ontwikkelingen en ecologische functies van het systeem (habitatontwikkeling, kraamkamerfunctie, rust- of foerageergebied).

Momenteel wordt er 12 miljoen kubieke meter zand per jaar gesuppleerd. Om het kustfundament mee te laten groeien met de zeespiegelstijging, zal in de toekomst naar verwachting 20 miljoen kubieke meter per jaar gesuppleerd moeten worden. Met deze opschaling van suppleties ten opzichte van het huidige beleid is het van belang om de ecologische effecten in kaart te brengen om zo richtlijnen te kunnen destilleren te voorkoming van schade aan de kusthabitats.

 

Card
idJaarcyclus programma
labelJaarcyclus programma
titleJaarcyclus programma

Het onderzoeksprogramma werd door Deltares uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat en kende een jaarlijkse cyclus waarin met behulp van een jaarplan werd aangegeven welke studies en veldinventarisaties het komende jaar uitgevoerd werden.

Card
idSamenwerkende partijen
labelSamenwerkende partijen
titleSamenwerkende partijen

Het onderzoek vind plaats in samenspraak met Rijkswaterstaat, vier natuurbeschermingsorganisaties: De waddenvereniging ,Stichting de Noordzee,Vogelbescherming NederlandStichting Duinbehouden uitvoerende partijen.

 

Card
idDuinen
labelDuinen
titleDuinen

Inleiding

Langs vrijwel de hele Nederlandse kust vinden we duingebieden. De kustduinen zijn ontstaan door de eeuwenlange invloed van zee, wind, begroeiing en de mens. De zee brengt zand op het strand, waarna de wind een deel van het zand verstuift richting de duinen. Hier vormt het bergjes van zand die, wanneer vastgehouden door planten, kunnen uitgroeien tot een duin. Lage duinen kunnen zo soms uitgroeien tot zeer hoge duinen.

Het duinonderzoek samengevat

Van 2010 tot en met 2014 is er langs de Nederlandse kust onderzoek gedaan naar de hoeveelheid en effecten van verstuivend zand in de zeereep, op het grondwater, de aanwezige vegetatie en organismen en de chemie van bodem en vegetatie. De zeereep is de eerste reep duinvegetatie aan de zeezijde van het duin. Hierbij is gebruik gemaakt van modellering en monitoring in de zeereep op locaties die wel en niet regelmatig worden gesuppleerd met zand. Het proces van verstuiving is niet alleen van groot belang voor het meegroeien van de zeereep met de zeespiegelstijging maar ook voor de planten en dieren die in de zeereep voorkomen. Daarnaast zijn er interviews gehouden met instanties verantwoordelijk voor het kust- en zeereepbeheer over de invloed van kustbeheer op de ontwikkeling van de zeereep en de strook er direct achter.

De monitoring liet zien dat daar waar veel zand de zeereep in kon stuiven er veranderingen in de chemie van de bodem waren opgetreden. Het ingestoven zand bleek over het algemeen een hoger kalkgehalte te hebben dan het oorspronkelijke zand. Dit leidde echter niet tot een aanwijsbare verhoging van de pH-waarde of andere chemische verandering in de vegetatie in de zeereep. De soortensamenstelling van vegetatie en fauna werd voornamelijk bepaald door de hoeveelheid en afstand waarover het zand verstoof. Waarbij de mate van dynamiek in de zeereep bepalend was voor de hoeveelheid en afstand waarover het zand de zeereep instoof. Hierdoor was het lastig een directe koppeling met een suppletielocatie vast te stellen. Onder dynamiek van de zeereep verstaan we het proces van erosie en afzetting van zand op het strand en in de zeereep. De aanwezigheid van kerven, welke natuurlijk zijn gevormd of door de mens zijn aangebracht, zijn hierin heel bepalend. Over het algemeen is voor het behoud van natuurkwaliteiten meer dynamiek in de zeereep gewenst.

De interviews maakten duidelijk dat het kust- en zeereepbeheer in handen is van verschillende organisaties. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de algemene veiligheid van de kust en voor de uitvoering van het suppletiebeleid. Het dagelijks beheer van de veiligheid van strand en zeereep is in handen gegeven van de waterschappen. Het natuurbeheer van de zeereep en de duinen erachter, is door de waterschappen vaak in handen gegeven van natuurorganisaties (soms tevens producenten van drinkwater). Met een gezamenlijke gebiedsvisie en beleidslijn kan kust- en zeereepbeheer elkaar ondersteunen zodat waterveiligheidsdoelen en natuurdoelen nog beter verenigd kunnen worden.

De mate van dynamiek in de zeereep kan gezien worden als een sturend proces voor natuurontwikkeling. Het verband tussen suppleties en de hoeveelheid zand beschikbaar voor verstuiving is nog niet voldoende onderzocht. Het is wenselijk om onderzoek te doen naar, hoe waargenomen variaties langs de Nederlandse kust in de mate van verstuiving van zand naar de zeereep samenhangt met de heersende randvoorwaarden zeewaarts van de zeereep, de hoeveelheid beschikbaar zand en de aanvoer van zand door eolisch transport in bijzonder. Op deze manier kan er worden gewerkt aan dynamisch landschapsbeheer voor de gehele Nederlandse kust.

 

Onder de volgende kopjes volgt een meer uitgebreide beschrijving van het onderzoek:

Toggle Cloak
Studiegebieden

Cloak

  Uitgebreide beschrijving in Everts & de Vries 2010, Tordoir 2010, van Puijvelde 2010.

Het onderzoek naar de mate van verstuiving en de effecten hiervan op de chemie van de bodem en vegetatie en aanwezige fauna is uitgevoerd in twaalf representatieve studiegebieden verdeeld over de Hollandse kust en het Waddengebied. Waarbij het op de Hollandse kust vooral om gebieden met kalkrijk zand gaat en in het Waddengebied vooral om gebieden met kalkarm zand. In deze twee kustgebieden zijn vervolgens studiegebieden gekozen waar wel en geen suppleties zijn uitgevoerd. Tot slot is er binnen deze locaties nog een onderscheid gemaakt in drie dynamiektypes met verschillende maten voor de hoeveelheid aan zandverstuiving in de zeereep:

1. geen dynamiek achter de zeereep / alleen dynamiek aan de strandzijde;
2. matige dynamiek tot over de top van de zeereep/ beperkte doorstuiving;
3. hoge dynamiek tot achter de top van de zeereep/ substantiële doorstuiving.


Tevens is op Ameland op twee locaties (op de westkop en nabij Buren) onderzocht of en hoe zandsuppleties aangelegd in 2010-2011, de grondwaterstanden in de duinen beïnvloeden en in hoeverre dit effect heeft op de ontwikkeling van kwetsbare vochtige duinvalleien.

 

 

 

 

 

Toggle Cloak
Verstuiving

Cloak

De uitgebreide resultaten staan beschreven in Arens 2009, Arens & van Puijvelde et al. 2010, Arens & Everts et al. 2012, Stuyfzand & Arends et al. 2012.

Zand kan via de zeereep (de eerste duinenrij grenzend aan het strand) verstuiven naar het achterliggende gebied. Om de hoeveelheid en het bereik van het stuivende zand te meten zijn er in de periode november 2011 t/m 23 april 2012 zandvangers in en achter de zeereep geplaatst. Zandvangers zijn halfopen buizen, waarin het stuivende zand wordt opgevangen. De zandvangers bevonden zich in raaien vanaf de zeereep tot ongeveer 500 meter landwaarts. Daarnaast is met behulp van ‘gutsboren’ de overstuivingsgeschiedenis van de zeereep bepaald. Een gutsboor is vergelijkbaar met een appelboor: hij maakt een kolomvormige dwarsdoorsnede uit de bodem. De guts geeft de opbouw van de bodem weer die de variaties in dynamiek weerspiegelt. In ‘rustige tijden’ hoopt zich namelijk organisch materiaal op en ontwikkelt zich een donker gekleurde bodemlaag. In dynamische tijden stuift daar een laag licht gekleurd stuifzand overheen. De dikte van de bovenste stuiflaag geeft informatie over de intensiteit van de overstuiving achter de zeereep: hoe dikker de laag zand, hoe dynamischer het gebied.

De verschillen tussen gebieden met en zonder suppleties bleken klein. De mate van dynamiek in de zeereep zelf bleek zeer bepalend voor de staat van de zeereep en het achterliggende gebied, meer dan het suppletieregime voor de zeereep.

De zandvangers laten zien dat de hoeveelheid zand die de wind het achterliggende gebied in blaast, sterk afhankelijk is van de afstand tot de zeereep. Het zandtransport is bij iedere honderd meter landwaarts vanaf de zeereep grofweg een factor 10 kleiner. Het verstuivingszand is tot 500 meter landinwaarts gemeten. De hoeveelheid zand was weliswaar zeer klein geworden, maar nog wel meetbaar! Dit geeft aan dat de invloed van verstuiving vanuit de zeereep verder reikt dan de eerst veronderstelde 500 m.

Eventuele effecten van de kwaliteit van instuivend zand reikt dan ook mogelijk verder landwaarts dan gedacht. Daarnaast werd er een duidelijke relatie tussen de mate van dynamiek in de zeereep en zandvangst gevonden. Achter sterk dynamische zeerepen (met kerven en kuilen al dan niet natuurlijk) stoof beduidend meer zand landinwaarts dan achter zeerepen met matige of geen dynamiek. In de gebieden met de hoogste dynamiek ging dit vaak gepaard met erosie aan de strandzijde van de zeereep: deels door afslag (Noord-Holland) en deels door de ontwikkeling van stuifkuilen (Vlieland, Noord-Holland) en ook bij kerven (Texel, Noord-Holland).

De gutsboorresultaten laten duidelijk zien dat het proces van overstuiving al vele decennia optreedt, ver voordat er structureel werd gesuppleerd. Dynamiek in de zeereep was dus een gevestigd proces ook in het tijdperk van vóór de start van het suppletieprogramma.

Toggle Cloak
Grondwater

Cloak

 De uitgebreide resultaten staan beschreven in van Steijn & Zaadnoordijk 2012, van Steijn & Zaadnoordijk et al. 2012, van Steijn & Groenendijk 2014.

De grondwaterstand in de duinen is belangrijk voor onder andere kwetsbare vochtige duinvalleien en ook voor de duingraslanden en duinheiden die worden beschermd in het kader van Natura 2000. In de duingordel is sprake van opbolling van de grondwaterstand. Aan de Noordzeekant wordt deze begrensd door het zeepeil en aan de binnenduinrand door het polderpeil. Een strandsuppletie zorgt voor een kleine, tijdelijke verbreding en verhoging van het strand. Dit kan lokaal leiden tot een toename van de drainage-weerstand aan de Noordzeekant, waardoor de opbolling van de grondwaterstand toeneemt en het strand dus lokaal natter wordt. Het effect van een onderwatersuppletie is naar verwachting veel kleiner tot niet aanwezig omdat een deze niet boven de vloedlijn uitkomt en is daarom buiten beschouwing gelaten.

Op Ameland is op de westkop en nabij Buren onderzocht of en hoe de strandsuppletie aangelegd in 2010-2011, de grondwaterstand in de duinen beïnvloedt en in hoeverre dit doorwerkt in het behoud of de ontwikkeling van kwetsbare duinvalleien. Hierbij is gebruik gemaakt van numerieke modellering en een tijdreeksenanalyse van de grondwaterstanden op basis van 65 meetlocaties en 97 peilbuisfilters over de periode 2000-2010 (voor aanleg van de suppletie) en 2011-2014 (na aanleg van de suppletie). Er is gedurende de studieperiode 2000-2014 geen structurele verandering van de grondwaterstand waargenomen die gerelateerd kan worden aan de strandsuppletie van 2010/2011.

Gezien de relatief beperkte omvang van reguliere strandsuppleties en de tijdelijke aanwezigheid ervan, worden ook op andere locaties geen significante effecten verwacht op de grondwaterstand in een aangrenzende zeereep. Het is logisch dat bij andere (grotere) typen suppleties, bijvoorbeeld de

Zandmotor en de Hondsbossche duinen, dit mogelijk wel zo is. In deze gevallen zal er naar dit aspect dan ook onderzoek verricht moeten worden.

 

Toggle Cloak
Chemische eigenschappen van de bodem en vegetatie

Cloak

  De uitgebreide resultaten staan beschreven in Stuyfzand & Arens et al. 2010, Arens & Everts et al. 2012, Stuyfzand & Arends et al. 2012

Het kalkgehalte (CaCO3), de hoeveelheid organische stof (koolstof (C)) en de hoeveelheid voedingsstoffen (zoals stikstof (N) en fosfor(P)) in de bodem zijn van belang voor de samenstelling en structuur van de vegetatie. Door verstuivend zand kunnen de chemische eigenschappen van zowel de bodem als de vegetatie veranderen.

In elk studiegebied (eerder beschreven onder “studiegebieden”) zijn 84 monsters van de toplaag van de bodem genomen waarvan de chemische samenstelling is bepaald. Daarnaast zijn in transecten vanaf het strand tot 500 meter achter de zeereep vegetatieopnamen gemaakt en bepalingen uitgevoerd van biomassa, macro- en micronutriënten, kalkgehalte en zuurgraad van bodem en van de vegetatie op de monsterlocaties.

Het effect van ingestoven zand op de chemische samenstelling van de bodem en vegetatie is beperkt gebleken. In de Embryonale en Witte duinen van de Hollandse kust is een effect van instuivend zand terug te vinden in de vorm van een hogere C: N-ratio in de bodem en in de vorm van hogere calciumgehaltes in de vegetatie met Biestarwegras. Dit heeft over het algemeen een licht negatief effect, doordat verruiging optreedt, wat kan leiden tot een afname van kwaliteit van het habitattype. Dit effect werd niet waargenomen in het Waddengebied en in de gebieden verder van de kust gelegen.

De mate van dynamiek in de zeereep blijkt lokaal een aanzienlijke invloed te hebben op de chemische samenstelling van de bodem en vegetatie. Langs de Noord-Hollandse kust leidt een meer dynamische zeereep tot een versterkte saltspray, wat tot uiting komt in hogere natrium- en magnesiumgehalten in de vegetatie. Dit is vooral gunstig voor de Embryonale en Witte duinen. Langs de Waddenkust is deze versterkte saltspray nauwelijks terug te vinden; daar is meer sprake van overstuiving door zand. Een voordeel van hogere dynamiek in de zeereep is de verjonging van de vegetatie, een nadeel is de uitbreiding van Embryonale en Witte duinen ten koste van Grijze duinen. Wanneer de zeewaartse grens van de Grijze duinen landwaarts verschuift zonder dat de landwaartse grens mee schuift wordt het areaal Grijze duinen kleiner. Het effect van inwaaiend kalkrijk zand is het duidelijks zichtbaar op plaatsen aan de kust die van nature kalkarm zijn.


Toggle Cloak
Fauna

Cloak

  De uitgebreide resultaten staan beschreven in Arens & Everts et al. 2012.

In het zand van de zeereep wemelt het van de borstelwormen, pissebedden, vliegenlarven, kevers en andere kleine ongewervelde dieren. Op en rond de planten leven ook allerlei dieren, zoals spinnen, rupsen en luizen. Deze diergroepen vormen een belangrijke voedselbron voor hogere dieren zoals reptielen, vogels en zoogdieren. De soortensamenstelling van deze fauna en hun lichaamsgrootte worden sterk beïnvloed door veranderingen in hun leefomgeving ten gevolge van overstuiving of veranderingen in de chemische samenstelling van de bodem of de vegetatie.

 

Van de 12 studiegebieden zijn 6 gebieden onderzocht op aanwezigheid van kleine dieren in de bodem en de vegetatie. Deze kleine steekproef geeft inzicht of er mogelijke effecten van suppleties op de fauna te verwachten zijn. Hiervoor zijn er voor de vegetatiebewonende fauna in totaal 120 monsters genomen en voor de bodemfauna zijn er in de Grijze duinen in totaal 60 ronde plaggen gestoken met een doorsnede van 30 cm. Vervolgens is de fauna uit deze plaggen verzameld. In de zeereep is dit niet mogelijk vanwege het losse zand. Hier is de bodemfauna bemonsterd door 0,25 m3 zand te zeven. Het is gebleken dat in de bodem en op de vegetatie levende dieren niet worden beïnvloed door de aan- of afwezigheid van suppleties. De soortensamenstelling hangt samen met de mate van dynamiek. Zo komen kleine junikevers vooral voor in dynamische milieus omdat daar veel jonge planten voorkomen waarvan de larven goed kunnen eten. De meikevers hebben larven die er meerdere jaren overdoen om tot wasdom te komen: die larven hebben meer baat bij stabielere, minder dynamische milieus. De mate van dynamiek draagt bij aan de variatie van de fauna in de zeereep.


Toggle Cloak
Vegetatieontwikkeling

Cloak

  De uitgebreide resultaten staan beschreven in Arens & Everts et al. 2012.

De zeereep vormt een leefgebied (habitat) voor allerlei soorten planten en dieren. Veel habitats zijn opgenomen in de Europese Habitatrichtlijn en zijn wettelijk beschermd. Beschermde habitats in de duinen zijn: ‘Embryonale duinen’ (deels begroeide lage duintjes op het hoge strand, H2110), ‘Witte duinen’ (buitenste duinen met stuivende toppen, H2120) en ‘Grijze duinen’ (kalkrijke droge graslanden met soortenrijke begroeiingen van laagblijvende grassen, kruiden, mossen en/of korstmossen, H2130). De Grijze duinen zijn daarbij onderverdeeld in kalkrijke en kalkarme Grijze duinen. Deze Grijs duin habitats zien er lang niet altijd hetzelfde uit doordat de samenstelling van de vegetatie en ook de natuurkwaliteit behoorlijk kan variëren.

Voor alle 12 studiegebieden is in de periode juni t/m juli 2011 de vegetatie gekarteerd zodat een duidelijk beeld werd verkregen van de oppervlaktes en ruimtelijke verdeling van vegetatie van de beschermde habitats. Daarnaast is binnen de studielocaties volgens een meetnet van in totaal 174 vaste kwadranten de samenstelling en structuur van de vegetatie in detail opgenomen.

De vegetatiekarteringen laten zien dat de ligging van de onderzoeksgebieden in een kalkrijk of kalkarm deel van de kust en de aanwezigheid van wel of geen dynamiek sterk bepalend zijn voor de verspreiding van de habitattypen. Er is hierbij geen directe relatie met het suppletieregime waar te nemen. Een hoge dynamiek in de zeereep leidde zowel in het kalkrijke en kalkarme gebied tot het landwaarts verschuiven van Embryonale duinen en Witte duinen. Dit gaat gepaard met de overdekking van de Grijze duinen direct achter de zeereep, door vers ingestoven zand.

Daarnaast laten de vegetatiekarteringen en de PQ’s zien dat ook de variatie binnen de habitattypen wordt bepaald door de dynamiek. Zo verandert bij een toename in de verstuiving de vegetatiesamenstelling van de habitattypen in de Grijze duinen. Pionierstadia treden meer op de voorgrond en er ontstaan meer stuifplekken waar bijvoorbeeld Buntgrasvegetaties van kunnen profiteren. Gesloten duingraslanden liggen vooral in de zone met weinig (of geen) overstuiving. Korstmosrijke vegetaties zijn optimaal ontwikkeld bij heel lichte overstuiving.

 

Toggle Cloak
Relatie duinbeheer, kustbeheer en duinontwikkeling

Cloak

  De uitgebreide resultaten staan beschreven in Vreugdenhil 2014.

Het huidige beheer van de waterkering waar de zeereep onderdeel van is, wordt door een aantal verschillende organisaties uitgevoerd. Hoewel Rijkswaterstaat verantwoordelijk is voor de algemene veiligheid van de kust en voor de uitvoering van het suppletiebeleid, is het dagelijks beheer van strand en zeereep in handen gegeven van de waterschappen. Het natuurbeheer van de zeereep en duinbeheer erachter, is door de waterschappen vaak in handen gegeven van natuurorganisaties die het achterliggende duingebied beheren.

Om meer inzicht te krijgen in hoeverre het beheer van de zeereep gestuurd wordt door de suppletiepraktijk en de mate van dynamiek in de zeereep is er met 18 kusten zeereepbeheerders gesproken over de relatie tussen kustbeheer, zeereepbeheer en ontwikkeling van de zeereep. Uit deze gesprekken komt naar voren dat het beheer van de zeereep vaak wordt gekoppeld aan mate van dynamiek aanwezig in de zeereep. Daar waar dynamiek mogelijk is wordt dit actief gestimuleerd. Daarnaast blijkt dat, ondanks de verschillende wensen en doelen van de kusten zeereepbeheerders, veiligheid tegen overstromen het belangrijkste uitgangspunt is, maar dat natuurdoelen mede worden nagestreefd zolang zij de veiligheid niet in gevaar brengen. Dat de kust ruimer in het zand zit door het huidige suppletieregiem is daarbij van invloed.

Kust- en zeereepbeheerders zijn in de praktijk over het algemeen goed te spreken over de onderlinge samenwerking. Er is wel behoefte aan een gezamenlijke gebiedsvisie en beleidslijn waardoor kust- en zeereepbeheer elkaar beter kunnen ondersteunen zodat waterveiligheidsdoelen en natuurdoelen nog beter verenigd kunnen worden. Daarnaast werd het belang van een goede communicatie tussen de verschillende kust- en zeereepbeheerders meerdere malen benadrukt. Een goede communicatie en onderbouwing bij ingrepen en activiteiten is cruciaal voor het creëren van onderling draagvlak en van draagvlak in de samenleving.

 

Tot slot is de wens om pilotprojecten uit te voeren ten behoeve van dynamisering in de zeereep meerdere malen door de natuurbeheerders geuit. Ook het waterschap kan daarin meegaan mits de veiligheid niet in het geding komt. Er zijn inmiddels in een aantal gebieden langs de kust maatregelen genomen om de zeereep en het achterliggende gebied een meer dynamisch karakter te geven. Als voorbeeld wordt het aanleggen van vijf kerven in het kustgebied tussen Bloemendaal en IJmuiden genoemd. Maar ook het pilotproject op de Kop van Schouwen wordt aangehaald. Hier wordt o.a. eenmalig geen suppletie aangebracht zodat de dynamiek daar meer ruimte krijgt met als doel de natuur een impuls te geven.

Toggle Cloak
Doorkijk naar vervolg

Cloak

De uitdaging voor de toekomst is het benutten van kansen om de nieuwe strategieën van kust- en natuurbeheer te combineren. Deze studie laat vooral zien dat veranderingen in de chemie van de bodem en de aanwezige vegetatie en fauna in de zeereep worden veroorzaakt door de mate en samenstelling van instuivend zand, welke op haar beurt meer wordt bepaald door de mate van dynamiek in de zeereep dan door het al dan niet uitvoeren van suppleties.

De mate van dynamiek in de zeereep kan gezien worden als een sturend proces voor natuurontwikkeling. Het verband tussen suppleties en de hoeveelheid zand beschikbaar voor verstuiving is nog niet voldoende onderzocht. Het is wenselijk om onderzoek te doen naar, hoe waargenomen variaties langs de Nederlandse kust in de mate van verstuiving van zand naar de zeereep samenhangt met de heersende randvoorwaarden zeewaarts van de zeereep, de hoeveelheid beschikbaar zand en de aanvoer van zand door eolisch transport in bijzonder. Op deze manier wordt er in aanvulling op deze studie naar de effecten van verstuiving op de zeereep in relatie tot suppleties, gewerkt aan kennis voor dynamisch landschapsbeheer in tijd en ruimte.

Het huidige beheer van de waterkering waar de zeereep onderdeel van is, wordt door een aantal verschillende organisaties uitgevoerd. Hoewel Rijkswaterstaat verantwoordelijk is voor de algemene veiligheid van de kust en voor de uitvoering van het suppletiebeleid, is het dagelijks beheer van strand en zeereep in handen gegeven van de waterschappen. Het natuurbeheer van de zeereep en duinbeheer erachter, is door de waterschappen vaak in handen gegeven van natuurorganisaties die het achterliggende duingebied beheren.

Naast kennis over dynamisch landschapsbeheer is er ook behoefte aan gerichte proceskennis. Via verschillende onderzoeksprogramma’s wordt hier al hard aan gewerkt. Zo wordt er binnen NatureCoast (Zandmotor) gekeken naar strand-duin interacties, de biogeomorfologie van zeereep en de ontwikkeling van embryonale duinen. Verder wordt langs de Delflandse kust in het project NEMO en in een VICI-project van Universiteit Utrecht op twee locaties nabij Bloemendaal en op de Hondsbossche duinen onderzoek gedaan naar verstuiving richting de duinen.

Kennis uit bovengenoemde onderzoeken en eventueel andere programma’s zullen moeten worden samengebracht om vervolgens te worden vertaald naar landschapsbeheer en inrichtingsmaatregelen die resulteren in een optimale suppletiestrategie met ruimte voor dynamiek in de zeereep en een verhoging van de natuurkwaliteit.

 

Card
idStrand
labelStrand
titleStrand

Inleiding

Het strand is de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn. Het strand beschermt de kust doordat de golven worden geremd. Hierbij wordt in perioden met veel wind en golven zand vanaf het strand weggespoeld. Terwijl tijdens rustige perioden zand langzaam op het strand wordt gebracht. Zo is het strand altijd in beweging. Wanneer er teveel zand verloren is gegaan wordt er een strandsuppletie uitgevoerd waarbij een bepaalde hoeveelheid zand tussen de duinvoet en de laagwaterlijn wordt aangebracht.

Het strandonderzoek samengevat

Het strand kan worden opgedeeld in verschillende zones van hoog strand boven de hoogwaterlijn (het droge strand) naar het midden strand en het laag strand langs de laagwaterlijn (het natte strand). De getijdenzone is de strook die ligt tussen de hoogwaterlijn en de laagwaterlijn. Hier spoelt het getij twee keer per dag het zeewater over het strand. De dieren die hier leven moeten veel kunnen verdragen. Op het getijdenstrand komen dan ook minder bodemdieren voor dan op de vooroever. De soorten die op het strand voorkomen zijn voornamelijk wormen en kreeftachtige. Deze dieren vormen een belangrijke voedselbron voor verschillende kustvogels.

Tijdens een strandsuppletie worden alle aanwezige dieren bedolven onder het zand. De vraag is hoe lang het duurt voordat het bodemleven weer terug is en of het uitmaakt wanneer in het jaar dit gebeurt. Om een antwoord te krijgen op deze vragen is tussen 2010 en 2013 het bodemleven op het strand van Ameland gevolgd na aanleg van een strandsuppletie.

Gelijk aan de andere Waddeneilanden, heeft het getijdenstrand van Ameland een fijne gemiddelde korreldiameter. Langs de Hollandse kust is het zand over het algemeen iets grover. Het fijne sediment op het strand van Ameland zorgt ervoor dat het strand relatief vlak is. Dit komt doordat het water niet goed in de bodem kan zakken en daardoor zand wegspoelt wat het strand vlakker maakt.

Het zand waarmee het strand van Ameland gesuppleerd werd, had een kleinere mediane korrelgrootte dan het oorspronkelijk aanwezige zand. Anderhalf jaar na de suppletie kwam de gemiddelde korreldiameter weer overeen met de oorspronkelijke korreldiameter.

Ondanks de strandsuppletie in 2011 was zandvolume het strand van Ameland in 2012 niet duidelijk toegenomen. De stormen van in de winter 2011-2012 hadden ervoor gezorgd dat een groot deel van de strandsuppletie direct weer was weggespoeld.

De strandsuppletie is zeer gefaseerd aangelegd waardoor het meest westelijke deel in de winter werd aangelegd en het meest oostelijke deel in de zomer. Na aanleg van de suppletie was de biomassa en het aantal bodemdieren lager dan voor aanleg van de suppletie. ‘Biomassa’ is het gewicht aan levend weefsel, exclusief schelpen en andere skeletelementen. Echter, na aanleg van de wintersuppletie werd eerder een toename in biomassa en het aantal bodemdieren waargenomen dan na aanleg van de zomersuppletie. Na anderhalf jaar was er geen verschil meer tussen beide suppletielocaties te ontdekken en kwam de bodemdiergemeenschap weer overeen met die van voor aanleg van de suppletie.

Onder de volgende kopjes volgt een meer uitgebreide beschrijving van het onderzoek:

Toggle Cloak
Studiegebieden

Cloak

Een uitgebreide beschrijving van de studiegebieden wordt gegeven in Vanagt et al. 2010, Verduin et al. 2011, Holzhauer et al. 2012.

Het strand is een dynamisch gebied tussen de zee en de duinen waar de stroming, getijslag en stormen de bodem zeer wisselende omstandigheden geven. Deze omstandigheden bepalen het voorkomen van verschillende soorten bodemdieren.

Voor de studie naar de effecten van een strandsuppletie op het bodemleven van het natte strand van Ameland zijn vier studiegebieden aangewezen. Het Impactgebied (Ameland Impact) is het gebied waar de strandsuppletie (van circa 0,9 miljoen m3 zand ) in de zomer van 2010 is uitgevoerd. Omdat zand langs de Waddenkust in oostwaartse richting wordt getransporteerd, is er ten oosten van het Impactgebied een Uitstralingsgebied (Ameland Uitstraling) gedefinieerd. Hier is gekeken naar indirecte effecten van de strandsuppletie. Schiermonnikoog, waar tot op heden nog niet eerder is gesuppleerd, is gebruikt als referentiegebied (Schiermonnikoog).

Omdat de suppletie bij Ameland in verschillende fases werd aangelegd was het mogelijk om op het strand een tweede impact gebied aan te wijzen waar de strandsuppletie (van circa 1,1 miljoen m3 zand ) in de winter (januari 2010) was aangelegd (Ameland west).

Overzicht onderzoekslocaties (groene vakken in onderstaande figuur) op het strand van Ameland (West, Impact & Uitstraling) en Schiermonnikoog (Referentie). De locatie van de strandsuppletie is weergegeven middels de rode vakken

Op elk van de onderzoekslocaties zijn de bodemdieren die in de bodem leven en de samenstelling van het zand bemonsterd gedurende een periode van vier jaar. In 2010 (voorafgaand aan de strandsuppletie) is een eerste bemonstering uitgevoerd op het strand van Ameland Impact, Uitstraling en Schiermonnikoog. Van 2011 tot en met 2013 is het strand van Ameland West, Impact en Schiermonnikoog om de 3 maanden bemonsterd om een beeld te krijgen van het ontwikkeling van bodemdieren na een strandsuppletie aangelegd in de winter versus een strandsuppletie aangelegd in de zomer.

  

Toggle Cloak
Methodiek van bemonsteren

Cloak

  De uitgebreide beschrijving van de bemonstering worden gegeven in Vanagt et al. 2010, Heusinkveld 2011a, Heusinkveld 2011b, Heusinkveld et al. 2011, Verduin et al. 2011, Heusinkveld 2012, Holzhauer et al. 2012, Leewis et al. 2012, Heusinkveld 2013, Heusinkveld 2014


Het uitganspunt voor de bemonstering was dat de hoogteligging en het getij bepalend zijn voor het voorkomen van bodemdieren op het strand. De bodemdieren van het strand en de samenstelling van het zand zijn met afgaand water bemonsterd vanaf de hoogwaterlijn tot aan de laagwaterlijn. Hierbij is elk uur op het net drooggevallen strand een monster genomen. Op deze manier worden ook soorten die zich, wanneer het water zakt, dieper kunnen ingraven bemonsterd en wordt een compleet beeld van de aanwezige bodemdieren verkregen. Tijdens elke bemonstering zijn per gebied drie kustdwarse raaien (in figuur onderaan) met elk 7 monsterpunten (duur van een afgaand tij) en een onderlinge afstand van circa een kilometer bemonsterd.

De strandmonsters zijn genomen met behulp van een metalen steekframe van 15 cm diep waarbij de inhoud van het steekframe is uitgegraven en gezeefd in een speciaal voor strandonderzoek ontworpen kuipzeef. Alle bodemmonsters zijn vervolgens meegenomen naar het laboratorium, waar de bodemdieren zijn uitgezocht en per soort het aantal individuen en hun biomassa zijn bepaald. ‘Biomassa’ is het gewicht aan levend weefsel, exclusief schelpen en andere skeletelementen.

Gelijktijdig is er naast het bodemdiermonster een monster van de bovenste 3 cm van het zand genomen.

 

Toggle Cloak
Morfodynamiek van het strand

Cloak

  De uitgebreide resultaten staan beschreven in Vanagt et al. 2011, Verduin et al. 2012, Holzhauer et al. 2014. Aangevuld met Vermaas et al. 2013


Vanwege het flauwe profiel en de fijne korrelgrootte, worden de stranden van Ameland en Schiermonnikoog dissipatief genoemd. Het water dat het strand op komt kan niet goed in de bodem zakken vanwege het fijne sediment. Hierdoor spoelt het zand mee terug in de zee, wat het strand vlakker maakt.

Het strand van Ameland kent natuurlijke veranderingen in het profiel en de hoeveelheid zand dat aanwezig is. Tussen 2009 en 2010, voorafgaand aan de strandsuppletie, lag de natuurlijke verandering in zandvolume rond 50 m3/m (paarse lijn). Vervolgens zijn er twee strandsuppleties na elkaar aangelegd. Door aanleg van de strandsuppletie in 2010 (blauwe lijn Rijksstrandpaal 11 t/m 16) nam het zandvolume toe (rode lijn). In 2011 is de tweede suppletie aangelegd (blauwe lijn Rijksstrandpaal 18 t/m 20).

Daarna hebben er in de winter van 2011-2012 grote stormen plaatsgevonden, die het volume van het op het strand gesuppleerde zand aanzienlijk hebben verminderd (groene lijn). Ter hoogte van de suppletie van 2010 is er sprake van een afname van het zand volume terwijl ter hoogte van de net aangelegd suppletie in 2011 het volume rond de eerdere natuurlijke variatie ligt. Er is hier weliswaar geen sprake van een afname in het zandvolume, zoals ter hoogte van de suppletie uit 2010, maar er is ook geen sprake van een toename van het zandvolume als gevolg van de net aangelegde de suppletie! Het volume van de strandsuppletie van 2011 is door de storm geërodeerd en verspreid langs de kust waardoor er op de suppletielocatie geen volume toename op het strand zichtbaar is (groene lijn) ondanks de suppletie die er is aangelegd.

 

Toggle Cloak
Samenstelling van het zand

Cloak

  De uitgebreide resultaten staan beschreven in de Vries 2009, van Egmond et al. 2010, Vanagt et al. 2011, Verduin et al. 2012, Holzhauer et al. 2014.

De samenstelling van het zand is van invloed op de flora en fauna aanwezig op het strand. Zand komt van nature in een mengeling van fijne en grove korrels voor; de verdeling kan worden gekenmerkt aan de hand van de mediane korrelgrootte (D50). De korrelgrootte heeft ook invloed op de steilheid van de kust (profiel), hoe grover de korrel hoe steiler de kust en hoe fijner de korrel hoe vlakker het strand.

Vooraf aan de strandsuppletie van 2010-2011 bestond het strand van Ameland Impact en referentiegebied Schiermonnikoog uit zeer fijn tot middelfijn zand (194 tot 287 μm). Waarbij het zand op Schiermonnikoog iets fijner was dan het zand op het strand van Ameland. De strandsuppletie is aangelegd met een mediane korrelgrootte van 150 μm. Na de suppletie was sprake van een toename in de fijne sedimentfracties zoals klei, silt en zeer fijn zand en de gemiddelde mediane korrelgrootte nam ook af. Anderhalf jaar na de suppletie (in 2012) kwam de korrelgrootteverdeling weer overeen met die van voor de suppletie.

Toggle Cloak
Bodemdieren in het zand van het strand

Cloak

  De uitgebreide resultaten staan beschreven in Van de Moortel et al. 2010, Vanagt et al. 2011, Van de Moortel et al. 2012a, Van de Moortel et al. 2012b, Verduin et al. 2012, Faasse et al. 2013, Faasse et al. 2014, Holzhauer et al. 2014.

Op het strand is de hoogteligging een belangrijke sturende parameter voor het voorkomen van bodemdieren. Grofweg kun je drie zones onderscheiden: hoog strand, midden strand en laag strand. Vooral de soortensamenstelling van het hoge strand verschilt erg van de rest van het strand. Een gelijkaardige verdeling werd op het strand van Ameland en Schiermonnikoog waargenomen. Vanaf de hoogwaterlijn richting het midden strand nam het gemiddeld aantal soorten nam toe waarna het aantal licht afnam om vervolgens zo goed als gelijk te blijven richting de laagwaterlijn.

Voorafgaand aan en tot 3 jaar na uitvoering van de strandsuppletie op Ameland Impact (zomer) en West (winter) zijn de bodemdieren bemonsterd op Ameland en Schiermonnikoog. Voor aanvang van de strandsuppletie werd slechts een beperkte variatie gevonden in de soortsamenstelling van bodemdieren en op basis van het aantal bodemdieren en biomassa werden er geen significante verschillen waargenomen. Direct na de strandsuppletie werden er minder bodemdieren gevonden. Tevens hadden deze bodemdieren een lagere biomassa. Dit verschil zat deels in de meest dominante soort, de gemshoornworm (Scolelepis squamata), die in lagere aantallen voorkwam met vooral kleinere exemplaren. Daarnaast verdween ook een aantal soorten volledig of bijna volledig na de suppletie. De twee gesuppleerde stranden zijn vervolgens elke drie maanden bemonsterd. De jaar op jaar variatie in de bodemdiergemeenschap bleek beperkt. Het gemiddeld aantal soorten en de biomassa per monster bleek lager na de zomersuppletie dan na de wintersuppletie. Op gemeenschapsniveau werd er geen verschil tussen de suppletie in het voorjaar of de winter waargenomen. Voor beide suppleties lagen de waarden voor het aantal bodemdieren en biomassa tot maximaal anderhalf jaar beneden de waarden voorafgaand aan de suppletie.

Kijken we naar individuele soorten dan zien we dat elke soort en eigen tempo van herstel heeft. Zo duurde het langer dan 18 maanden voorhet het scheldpdier het Nonnetje weer was teruggekeerd. Terwijl andere soorten, vooral wormen, opportunistischer zijn en eerder in hogere aantallen voorkwamen.

Toggle Cloak
Doorkijk naar vervolg

Cloak

Het bodemleven op het strand is in staat zich te handhaven in de dynamische omgeving. Het effect van een enkele suppletie lijkt dan ook niet direct een grote impact te weeg te brengen. Echter wordt er in deze studie maar naar één gebied gekeken en blijft het de vraag in hoeverre dit gebied representatief is voor de gehele nederlandse kust. Een gebiedsdekkende studie zou hier uitkomst kunnen bieden.

Verder is het aspect van herhaald verstoren door middel van een suppletie en/of andere activiteiten zoals recreatie maar denk ook aan het reinigen van het strand, van invloed op de aanwezige bodemfauna en niet bekeken tijdens deze studie. Deze aspecten zullen bekeken moeten worden voor een weloverwogen keuze om het huidige suppletiebeleid al dan niet aan te passen.


Card
idOndiepe-Kustzone
labelOndiepe Kustzone
titleOndiepe Kustzone

Inleiding

De bodem van de ondiepe Noordzee wemelt van het leven. Net boven de bodem zwemmen verschillende soorten vissen zoals schol en tong. Op de bodem kruipen dieren zoals de strandkrab, zeester en grijze garnaal. In de zeebodem leven schelpdieren zoals de Amerikaanse zwaardschede en het nonnetje maar ook wormen zoals de gemshoornworm en de zandzager. Veel van deze dieren zijn een voedselbron voor vogels en vissen.

De resultaten voor de onderwateroever samengevat

Wanneer een zandsuppletie wordt aangelegd worden de bodemdieren bedolven onder een laag zand. Als dit gebeurt, is het de vraag hoe snel het bodemleven zich weer kan herstellen, zeker als er al snel weer een nieuwe suppletie op het programma staat. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst goed weten welke bodemdieren in en rond een gesuppleerd gebied voorkomen, voorafgaand aan de suppletie. Vervolgens kan gekeken worden hoe groot de impact van een suppletie is en hoe lang het duurt voordat het bodemleven weer vergelijkbaar is met de situatie voor de suppletie.

In 2010/2011 stond er voor de kust van Ameland een grote suppletie van 4,7 miljoen kubieke meter zand gepland. Dit bood een uitgelezen kans om de impact en et herstel van het bodemleven na een suppletie te onderzoeken. Voor de kust van Ameland is het bodemleven gevolgd over een periode van 5 jaar, precies één cyclus van suppleren. We monsterden in het jaar voorafgaand aan de suppletie (2010) en vervolgens jaarlijks tot vier jaar na de suppletie (2011 t/m 2014). In 2015 is er opnieuw een suppletie aangelegd.

De tijd van het herstel van bodemleven varieerde tussen de één en drie jaar. Na die tijd was de bodemdiergemeenschap van het gesuppleerde gebied nauwelijks meer te onderscheiden van de onverstoorde gemeenschap. Ook vissen nabij de bodem kunnen een effect ondervinden van een zandsuppletie in hun leefgebied. Hun omgeving (het zand, de golven, de stromingen) verandert, maar ook hun prooidieren, de bodemdieren, worden beïnvloed. Vissen laten zich echter moeilijk bemonsteren, de natuurlijke variabiliteit is groot en in vergelijking vonden we slechts geringe effecten van suppleties op de visgemeenschap aan de bodem. Wel zijn er kleine effecten op soortniveau gevonden, bijvoorbeeld in lagere aantallen schol en hogere aantallen grondel in het suppletiegebied. Dit duidt erop dat er iets veranderd zou kunnen zijn in de omgevingsfactoren, waardoor het gebied op korte termijn meer of minder geschikt is voor specifieke soorten.

Onder de volgende kopjes worden de resultaten van het onderzoek van de periode 2009-2015 beschreven:

Toggle Cloak
Studiegebieden

Cloak

De uitgebreide resultaten staan beschreven in Vanagt et al. 2010, Verduin et al. 2011, Holzhauer et al. 2012, Van Dalfsen et al. 2014a

De ondiepe kust is een dynamisch gebied waar de stroming, getijslag en stormen de bodem zeer wisselende omstandigheden geven. Deze omstandigheden bepalen onder andere het voorkomen van verschillende soorten bodemdieren.

Voor de studie op Ameland zijn drie studiegebieden aangewezen. Het Impactgebied (Ameland Impact) is het gebied waar de onderwatersuppletie (1,6 miljoen m3 zand) is uitgevoerd. Omdat sediment langs de Waddenkust in oostwaartse richting wordt getransporteerd, is er ten oosten van het Impactgebied een Uitstralingsgebied (Ameland Uitstraling) gedefinieerd. Hier is gekeken naar indirecte effecten van de suppletie. Schiermonnikoog, waar tot op heden nog niet eerder op het strand of de vooroever is gesuppleerd, is gebruikt als referentiegebied.

Op elk van deze onderzoekslocaties zijn de bodemdieren die in en op de bodem leven, de samenstelling van het zand en de vissen die nabij de bodem leven bemonsterd. Voor het bemonsteren van de bodemdieren die in de bodem leven en de samenstelling van het zand zijn voor een periode van 5 jaar, jaarlijks in het najaar happen uit de bodem genomen.

De studie begon in 2009 (voorafgaand aan de suppletie) en liep door tot en met 2014. Deze periode van vijf jaar komt overeen met de suppletiefrequentie voor Ameland. Bodemdieren die op de bodem leven en juveniele vissen, die nabij de bodem leven, zijn gedurende een kortere periode bemonsterd van 2010 tot en met 2012 met behulp van een fijnmazig net.

 

Toggle Cloak
Methodiek van bemonsteren

Cloak

De uitgebreide resultaten staan beschreven in Heusinkveld et al. 2011, Leewis et al. 2012, Wittoeck et al. 2012, De Backer et al. 2013c, Heusinkveld 2013, Heusinkveld 2014, Van Dalfsen et al. 2014b

Het uitgangspunt bij de bemonsteringen was dat de verschillende bodemhoogtes (banken, troggen, hellingen) voor een groot deel bepalen welke bodemdieren waar voorkomen. Daarom is steeds eerst de hoogteligging van de zeebodem in kaart gebracht waarna per onderzoeksgebied de locaties voor de bodemhappen en de trekken met het visnet zijn bepaald. Elk jaar zijn er, per onderzoeksgebied zes kustdwarse raaien met elk 10 bodemhappen genomen. Voor de jaren 2010 t/m 2013 zijn er tevens 6 trekken parallel aan de kust met een fijnmazig visnet uitgevoerd. Alle bemonsteringen zijn overdag uitgevoerd.

De bodemhappen zijn vanaf een ondiep stekend schip met een ‘Van Veenhapper’, van 0,1 m2 uitgevoerd. Uit deze happen is eerst een monster van het zand genomen waarna de meegenomen naar het laboratorium, waar de bodemdieren zijn uitgezocht en per soort het aantal individuen en hun biomassa is bepaald. ‘Biomassa’ is het gewicht aan levend weefsel, exclusief schelpen en andere skeletelementen.

Met behulp van een kleine boomkor van 3 meter breed met een fijnmazig net (maaswijdte van 22 mm in de kuil) met een bollenpees zijn de op de bodem levende dieren en de nabij de bodem levende vissen bemonsterd. De vangst is aan boord op soort gebracht, geteld en gemeten.

Toggle Cloak
Morfodynamiek van de vooroever

Cloak

Voor uitgebreide beschrijvingen van dit onderwerp zie: Vanagt et al. 2011, Verduin et al. 2012, Holzhauer et al. 2014, Vergouwen et al. 2016. Aangevuld met Vermaas et al. 2013

Het uitgangspunt bij de bemonsteringen was dat de verschillende bodemhoogtes (banken, troggen, hellingen) voor een groot deel bepalen welke bodemdieren waar voorkomen. Daarom is steeds eerst de hoogteligging van de zeebodem in kaart gebracht waarna per onderzoeksgebied de locaties voor de bodemhappen en de trekken met het visnet zijn bepaald. Elk jaar zijn er, per onderzoeksgebied zes kustdwarse raaien met elk 10 bodemhappen genomen. Voor de jaren 2010 t/m 2013 zijn er tevens 6 trekken parallel aan de kust met een fijnmazig visnet uitgevoerd. Alle bemonsteringen zijn overdag uitgevoerd.

Kijken we alleen naar het midden en oosten van Ameland, het onderzoeksgebied, dan zien we twee tot drie zandbanken die zich over de tijd zeewaarts verplaatsen. Rond de 800 meter zeewaarts dempt de bank uit waarbij er nabij de kust een nieuwe bank wordt gevormd. We spreken hier van “cyclisch bankgedrag”. De kustlijn zelf laat een achteruitgang zien. Daarom hebben er in 1992, 1998, 2003 en 2006 verschillende suppleties plaatsgevonden. Ook in het najaar van 2011 is hier een vooroeversuppletie in combinatie met een strandsuppletie uitgevoerd. In de toetsing van 2015 is de BasisKustLijn geheel oostelijk op het eiland opnieuw overschreden door erosie, en voor het midden van Ameland is de trend opnieuw landwaarts gericht, d.w.z. de kustlijn erodeert. Daarom is hier in 2015 opnieuw een strandsuppletie, gecombineerd met een vooroeversuppletie, uitgevoerd. De kustlijn van Ameland wordt zodoende gemiddeld elke vijf jaar gesuppleerd en bevindt zich dan ook in een continue cyclus van verstoring en herstel.

Een vooroeversuppletie zorgt op korte termijn voor een verandering in het profiel van de bodem en vaak ook in de samenstelling van het zand. Onder invloed van de waterbeweging vindt er een herverdeling van het zand plaats waardoor het oorspronkelijke bankensysteem zich kan herstellen en het materiaal wordt gesorteerd. De suppletie op Ameland-midden in 2011 zorgde ervoor dat het bankensysteem ter hoogte van de suppletie hoger werd en er een nieuwe buitenbank ontstond. Dicht onder de kust vormde zich ook een nieuwe bank. 

 

Het bankgedrag van referentiegebied Schiermonnikoog is anders. Het profiel is er minder steil en er komen slechts twee banken voor die stabiel liggen. Er is op Schiermonnikoog nog nooit gesuppleerd. De kustlijn van Schiermonnikoog ligt minimaal 120 meter zeewaarts van de BKL. Hoewel er een achteruitgang wordt waargenomen, zijn er tot en met het jaar 2020 geen overschrijdingen van de BKL te verwachten.

Toggle Cloak
Bodemkarakteristiek: Side-scan-sonar

Cloak

Voor uitgebreide beschrijvingen van dit onderwerp zie: Vonhögen-Peeters 2010, Vonhögen-Peeters 2012

Om inzicht te krijgen in de relatie tussen morfologie, het zand op de bodem en bodemdieren is in 2010 en 2012, een side-scan-sonar opname gemaakt in het suppletiegebied voor de kust van Ameland. Een side-scan-sonar maakt met behulp van akoestiek een opname van de bodem. Er wordt een signaal uitgezonden en de weerkaatsing van dit signaal op de bodem geeft informatie of er zand of klei ligt maar ook of er veel schelpen liggen. Op basis van de SSS-opname kan de vooroever van Ameland ter hoogte van de suppletielocatie ingedeeld worden drie gebieden waarvan de grenzen min of meer kustparallel lopen. 

Toggle Cloak
Samenstelling van het zand

Cloak

Voor uitgebreide beschrijvingen van dit onderwerp zie: van Egmond et al. 2010, Vanagt et al. 2010, Wijsman et al. 2010, Vanagt et al. 2011, Verduin et al. 2012, Holzhauer et al. 2014, Vergouwen et al. 2015

De samenstelling van het zand is een belangrijke factor in het voorkomen van bodemdieren. Zand komt van nature in een mengeling van fijne en grove korrels voor. De verdeling kan worden gekenmerkt aan de hand van de mediane korrelgrootte (D50). Voorafgaand aan de suppletie is in 2010 het zand gemeten met behulp van het Medusa-systeem en bodemhappen. Het Medusa-systeem is een geofysisch meetsysteem dat op basis van de van nature voorkomende radioactieve straling uit de bodem verschillende mineralen en bodemtypen kan onderscheiden. Op de vooroever van Ameland en Schiermonnikoog is het zand fijner naarmate het water dieper wordt. De troggen laten geen duidelijk andere samenstelling van het zand zien dan de naastgelegen banken en hellingen.

Gedurende de periode van 5 jaar bestond het zand in de getijdenzone op het strand uit fijn tot grof zand (gem. 190 tot 263 μm), ter hoogte van de suppletiezone uit zeer fijn tot fijn zand (gem. 132 tot 205 μm) en in de diepere zone zeewaarts van de suppletie uit fijn zand (gem. 134 tot 187 μm). De suppletie is in 2011 aangelegd met zeer fijn zand (gem. 150 μm). Het gesuppleerde materiaal valt hiermee in de natuurlijke range van het suppletiegebied. Het organisch stofgehalte in het zand is een maat voor het voedsel dat aanwezig is voor het bodemleven. Dit gehalte lag over het algemeen hoger zeewaarts van de suppletie dan in de vooroever of zone waar gesuppleerd werd.

Toggle Cloak
Bodemdieren die in de bodem leven

Cloak

Voor uitgebreide beschrijvingen van dit onderwerp zie: Gmelig Meyling et al. 2009, Goudswaard et al. 2009, Van de Moortel et al. 2010, Wijsman et al. 2010, Vanagt et al. 2011, Verduin et al. 2012, Faasse et al. 2013, Holzhauer et al. 2014, Verduin et al. 2014, Vergouwen et al. 2015, Vergouwen et al. 2016 Aangevuld met: Janssen et al. 2008

De vooroever van Ameland en Schiermonnikoog zijn in het najaar bemonsterd van 2009 tot en met 2014 waarbij in de drie gebieden in totaal 797 monsters zijn genomen tussen de laagwaterlijn tot ongeveer 15 meter diepte. Alle monsters zijn in het laboratorium geanalyseerd op aantal en biomassa per soort. In totaal zijn er bij Ameland en Schiermonnikoog 85 soorten bodemdieren gevonden waarvan 55 soorten in alle studiegebieden zijn waargenomen. Op Ameland Impact zijn in totaal 75 soorten gevonden, in het naastgelegen uitstralingsgebied 68 soorten en op Schiermonnikoog 62 soorten. De borstelworm Magelona johnstoni is het vaakst van alle soorten aangetroffen en de Amerikaanse zwaardschede in de hoogste aantallen. 

 

In alle gebieden, ongeacht de suppletie, is de jaarlijkse variatie in dichtheid en biomassa van bodemdieren relatief groot. Deze variatie volgt grofweg over de jaren in alle studie gebieden hetzelfde patroon, met opvallend hoge biomassa’s en lage dichtheden in 2012.

Kijken we specifiek naar de zone waar gesuppleerd wordt, tussen de -5 en -8 meter beneden NAP, dan zien we op de suppletielocatie van Ameland een beperkt effect van de vooroeversuppletie op het bodemleven. De biomassa, die vooral bepaald wordt door schelpdieren en grote wormen, is in 2011, direct na de suppletie, in deze zone afgenomen ten opzichte van het jaar ervoor. Dit is vooral zeer lokaal duidelijk zichtbaar aan de zeewaartse zijde van de suppletie en een klein gebied direct naast de suppletie. De afname in gemiddelde biomassa wordt voornamelijk veroorzaakt door een lagere biomassa van de schelpdieren de Strandgaper en het Zaagje. Ook de gemiddelde dichtheid neemt in deze locaties af, voornamelijk veroorzaakt door een afname van borstelwormen.

In 2012 is de gemiddelde biomassa overal weer toegenomen, vooral op Ameland in het gebied ten oosten van de suppletie. In dat jaar is over het gehele gebied vooral de toename van het nonnetje opvallend. In 2012 is ook de dichtheid van de borstelwormen weer toegenomen. In 2013 is de biomassa in alle gebieden juist weer lager dan in de jaren daarvoor terwijl de dichtheid is toegenomen. Een mogelijke oorzaak hiervan is de relatief lange vorstperiode met temperaturen onder de nul graden tot in april. Verschillen tussen impact- en controlegebieden nemen verder af, en in 2014 is de biomassa en dichtheid in het gesuppleerde gebied op Ameland weer gelijk aan de gemiddelde waarde van 2010, voorafgaand aan de suppletie.

Het beeld dat het gesuppleerde gebied na twee tot drie jaar weer gelijkaardig is aan de situatie voor de suppletie komt overeen met het beeld dat verkregen is uit de analyse van aangespoelde bodemdieren langs de Hollandse kust over een periode van 1978 tot en met 2008. 

Schiermonnikoog laat voor zowel gemiddelde biomassa als dichtheid een ander beeld zien dan Ameland. Gezien de afwijkende geschiedenis (nooit gesuppleerd) en tevens de afwijkende gradiënt van de vooroever (minder steil) is het goed mogelijk dat hierdoor de vooroever van Schiermonnikoog zich anders gedraagt.

In eerder onderzoek vonden Janssen et al. (2008) een beduidend hogere soortenrijkdom en dichtheid tussen de banken van de vooroever dan op toppen van de banken. Dit werd vooral toegeschreven aan de aanwezigheid van de biobouwende kokerworm (Lanice conchilega).

Tijdens deze studie is geen hogere dichtheid en soortenrijkdom tussen de banken waargenomen. De hoogste dichtheden van kokerwormen werden in het huidige onderzoek in de dieper gelegen stations, voorbij de buitenste brekerbank, gevonden.

Toggle Cloak
Het effect van kokerwormen op de morfologie in de vooroever, modelberekeningen

Cloak

Voor uitgebreide beschrijvingen van dit onderwerp zie: Kruijt 2009, Borsje et al. 2010a, Borsje et al. 2010b, Borsje et al. 2011

De kokerworm is een worm die in de bodem leeft en structuren bouwt die de bodem kunnen beïnvloeden. Met behulp van een hydrodynamisch model (Delft3D-FLOW) voor de kust van Egmond, met en zonder zandsuppletie, is inzichtelijk gemaakt dat bodemdieren in staat zijn om de fysische eigenschappen van de bodem te beïnvloeden.

De modelberekeningen zonder zandsuppletie laten zien dat de kust meer erodeerde bij afwezigheid van de kokerworm dan wanneer de kokerworm in grote aantallen aanwezig was. Ook bij een zandsuppletie van 800.000 m3 liet het model zien dat er een positieve bijdrage is van de kokerworm aan de stabiliteit van de kust en dat de suppletie beter op zijn plaats blijft liggen. Doordat de kokerworm in “vlekken” verspreid voorkomt is de werkelijke aanwezigheid van deze wormen lastig te bepalen, waardoor de resultaten nog niet direct gekoppeld kunnen worden aan werkelijke suppleties.

Toggle Cloak
Bodemdieren die op de bodem leven

Cloak

Voor uitgebreide beschrijvingen van dit onderwerp zie: De Backer et al. 2013a, De Backer et al. 2013b, Holzhauer et al. 2014

Op de bodem leven verschillende dieren zoals garnalen en krabben. In totaal zijn er bij Ameland en Schiermonnikoog 16 verschillende soorten gevonden. De meest voorkomende soorten waren grijze garnaal, de gewone zwemkrab en de strandkrab. De grijze garnaal was het talrijkst, tot wel 90% van het totaal aantal individuen. Ondanks de jaarlijkse variatie in dichtheden was er over de jaren weinig variatie in de soortensamenstelling in beide gebieden. Er zijn geen significante effecten gevonden van de suppletie op de soortenrijkdom, dichtheid of diversiteit van de op de bodem levende soorten. 

Toggle Cloak
Nabij de bodem levende vissen

Cloak

Voor uitgebreide beschrijvingen van dit onderwerp zie: De Backer et al. 2013a, De Backer et al. 2013b, Holzhauer et al. 2014

Vissen die nabij de bodem leven kunnen invloed ondervinden van een suppletie doordat de bodem wordt bedekt en daarmee het beschikbare voedsel (bodemdieren) onbereikbaar wordt. Kenmerkende soorten voor de vooroever van Ameland en Schiermonnikoog zijn schol, grondel en kleine zeenaald. Er zijn in totaal 27 verschillende vissoorten gevonden, voornamelijk juveniele (opgroeiende) platvissen. 

Het meest opvallende resultaat was dat in 2013 de dichtheid aan bij de bodem levende vissen tot 10 keer hoger was dan de gemiddelde dichtheid in voorgaande jaren. De dichtheid bij Ameland lag altijd lager dan bij Schiermonnikoog. Verschillen in dichtheid en samenstelling tussen de gebieden zijn te wijten aan natuurlijke variatie, maar wellicht ook aan een verschil in visserijdruk door garnalenkotters die ook in het gebied actief waren.

De visgemeenschap verschilt niet significant tussen Ameland en Schiermonnikoog en een duidelijk effect van de suppletie is niet waargenomen. Op soort niveau zien we echter wel verschillen. Wanneer we kijken naar de grondel en de schol, dan is er sprake van een licht andere opbouw van de populatie voor deze soorten in het suppletiegebied. Na de suppletie komt de schol in lagere dichtheden voor in het suppletiegebied ten opzichte van Schiermonnikoog.  Anderzijds komt de grondel na de suppletie juist in hogere dichtheden voor bij Ameland dan in het referentiegebied op Schiermonnikoog. 

Toggle Cloak
Doorkijk naar vervolg

Cloak

Het onderzoek rond de suppletie van 2010-2011 laat zien dat 2-3 jaar na de suppletie het leven in en op de vooroever zich heeft hersteld. Op korte termijn wordt er een impact waargenomen van de suppletie, voornamelijk aan de zeewaartse zijde van de suppletie, in het impactgebied en voor een deel in het naastgelegen uitstralingsgebied. Na een periode van 2-3 jaar waren de effecten van de suppletie niet meer te onderscheiden. Effecten op dieren die op de bodem leven en vis waren minder goed te onderscheiden.

De randvoorwaarden voor het leefgebied van bodemdieren worden voor een groot deel bepaald door de abiotische omstandigheden. Door deze randvoorwaarden te koppelen aan het voorkomen van bodemdieren kunnen effecten van structurele aanpassingen van abiotische omstandigheden onder invloed van suppleties op het huidige ecosysteem van de vooroever in beeld worden gebracht. Daarnaast kan er mogelijk bij het inplannen van een suppletie gestuurd worden op factoren, zoals locatie of korrelgrootte van het sediment zodat een suppletie geoptimaliseerd kan worden.

De huidige kennis over de effecten van suppleties op de vooroever is momenteel afkomstig uit case studies. Om te toetsen of dezelfde uitkomsten gelden voor de gehele Nederlandse kust, zal ook op deze tijd en ruimteschaal onderzoek naar gedaan moeten worden. Dit wordt onderschreven door de vergelijking met het toch zeer nabij gelegen Schiermonnikoog.

Naast de opschaling naar de gehele Nederlandse kust, zouden hierbij ook de cumulatieve effecten van jarenlang suppleren langs de kust op de samenstelling van de bodemdieren in ogenschouw genomen moeten worden. Lange termijn kustdekkend onderzoek zou hier meer inzicht in kunnen bieden.

Card
idVogels
labelVogels
titleVogels

Inleiding

Langs de hele Nederlandse kust komen vogelsoorten voor die hinder kunnen ondervinden van zandsuppleties. Suppletieactiviteiten kunnen verstoring veroorzaken en de voedselbeschikbaarheid aantasten. Zandsuppleties kunnen worden uitgevoerd op het strand tussen de laagwaterlijn en de duinvoet of onder water tegen de buitenste brekerbank op een diepte van 5 tot 8 meter beneden NAP. De mate waarin een vogelsoort hiervan hinder ondervindt hangt af van de manier waarop de soort de kust gebruikt en het type suppletie. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen broedvogels en foeragerende vogels. Foeragerende vogels kunnen bij suppletieactiviteiten soms uitwijken naar een andere locatie, maar broedende vogels hebben die mogelijkheid vaak niet. In het laatste geval is de kans groot dat dit leidt tot verlies van een heel broedseizoen, zelfs al zijn de activiteiten geweest beperkt tot een paar weken. Voor vogels die de kustzone gebruiken om te foerageren, kunnen de effecten sterk verschillen. Sommige soorten verblijven het hele jaar in de kustzone. Andere soorten kunnen uitwijken naar andere locaties, bijvoorbeeld binnendijks. Ook zijn er soorten die slechts delen van het jaar afhankelijk zijn van het kustgebied. Zo zijn overwinteraars er in winter, terwijl trekvogels de kustzone in het voor- en/of najaar gebruiken om op te vetten voor de migratie. Inzicht in deze factoren kan helpen om suppleties zo in te richten en te faseren dat de impact op vogels zo klein mogelijk is. 

Samenvatting resultaten

Kustvogels

Op basis van literatuur over het voorkomen en potentiële gevoeligheid voor suppleties van kustvogels en expert judgement is een selectie gemaakt van elf vogelsoorten. De gekozen soorten komen voor langs delen van de Nederlandse kust waar gesuppleerd moet worden. Van deze elf soorten ondervinden de grote stern, roodkeelduiker, fuut, stormmeeuw, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw relatief weinig hinder van zandsuppleties door de manier waarop ze het leefgebied gebruiken. De aalscholver, strandplevier, bontbekplevier en de drieteenstrandloper zijn vooral in bepaalde periodes van het jaar gevoelig voor zandsuppleties. De zwarte zee-eend lijkt het meest gevoelig te zijn voor suppletieactiviteiten.

Door rekening te houden met de timing en locatie van zandsuppleties kunnen negatieve effecten veelal gemitigeerd worden, bijvoorbeeld door het broedseizoen en foerageergebied te vermijden. In theorie kan voor de strandplevier, bontbekplevier en de drieteenstrandloper verstoring van het leefgebied gecompenseerd worden door het beperken van recreatie op de naastgelegen stranden. Voor de zwarte zee-eend kan het vermijden van schelpdierbanken en het behouden van een minimale vaarafstand tot de soort als mitigatie dienen. Voor de bontbekplevier geldt dat zandsuppleties het beste in de winter uitgevoerd kunnen worden, wanneer de vogels in relatief lage aantallen aanwezig zijn. Rijkswaterstaat houdt rekening met de aanwezige kustvogels. Wanneer nodig worden op sommige locaties op grond van de Natuurbeschermingswet gedurende een bepaalde periode geen activiteiten uitgevoerd of lopende activiteiten stil gelegd. Zo mag er in de winter niet nabij overwinterende Roodkeelduikers gesuppleerd worden.

De drieteenstrandloper

Van de drieteenstrandloper werd verwacht dat het effect van strandsuppleties op deze soort relatief groot zou zijn. Eerdere studies in het Waddengebied en de Noordzeekustzone gaven aan dat deze soort zijn voedsel zoekt langs de laagwaterlijn en een vrij beperkte dieetkeuze heeft. Dit laatste maakt een soort kwetsbaar. De drieteenstrandloper komt voor op zandstranden en droogvallende zandplaten langs de kust van Nederland, met een zwaartepunt in de Zeeuwse Delta en de Noordzeekust van de Waddeneilanden. Onderzoek in de Voordelta heeft laten zien dat de drieteenstrandloper in dit gebied juist een gevarieerd dieet heeft. Dit zorgt ervoor dat specifiek voor de strandsuppleties op de kust van Walcheren en Schouwen, ten aanzien van drieteenstrandlopers weinig effecten zijn te verwachten. Dit is enerzijds vanwege de lage aantallen drieteenstrandlopers op de kust van Walcheren en Schouwen, anderzijds vanwege het juist gevarieerde dieet van de soort in dit gebied. Buiten de Voordelta lijkt dit dier specifiek op gemshoornworm te foerageren, wat de soort mogelijk gevoeliger maakt voor strandsuppleties. 

 

Onder de volgende kopjes staat een meer uitgebreide beschrijving van de resultaten uit het vogelonderzoek:

Toggle Cloak
Aanpak en selectie van vogelsoorten 

Cloak

In deze studie zijn elf kustgebonden vogelsoorten geselecteerd op basis van het algemeen voorkomen in de kustzone, specifieke kwetsbaarheid voor suppleties en verwachte kans op impact door zandsuppleties. De gekozen vogelsoorten staan (deels) model voor een aantal andere nauw verwante soorten. Op basis van literatuur is voor de geselecteerde vogelsoorten kennis verzameld over:

  • Waar en wanneer de vogelsoort in hoge mate van de kustzone gebruik maakt

  • Of de vogelsoort permanent gebruik maakt van het gebied

  • Of de vogelsoort het gebied gebruikt als broedgebied, overwinteringsgebied of rustgebied tijdens de trekperiode

  • Het foerageer- en/of rustgedrag

Dit alles in relatie tot de mogelijke effecten van zandsuppleties op de korte termijn. Gevoeligheid voor zandsuppleties wordt voornamelijk veroorzaakt door de effecten van:

  • Verstoring: door aanwezigheid van schepen, machines en mensen (verstoringsafstand).

  • Bedekking: door zand op te brengen worden prooidieren voor vogels bedolven. Ook kan een eventuele verandering in korrelgrootte de doordringbaarheid voor snavels beïnvloeden.

  • Vertroebeling: tijdens de uitvoering van een suppletie komen er kleine deeltjes in het water terecht die tijdelijk zorgen voor vertroebeling van het water. Hierdoor kunnen met name zichtjagers, vogels die met hun ogen een prooi zien en dan vangen, mogelijk moeilijker aan voedsel komen. Dit effect is echter zeer variabel en in sommige gevallen kan vertroebeling ook positief doorwerken.

Voor elke vogelsoort zijn mogelijke mitigerende maatregelen geformuleerd waarmee de eventueel ongewenste effecten van suppleties beperkt kunnen worden.

 

Een uitgebreide beschrijving van de resultaten wordt gegeven in: Jonkvorst et al., 2013; Poot et al., 2010

Toggle Cloak
Kustvogels in relatie tot zandsuppleties

Cloak

De aalscholver, bontbekplevier, strandplevier, zwarte zee-eend en drieteenstrandloper zijn mogelijk gevoelig voor zandsuppleties. Voor elk van deze soorten is weergegeven wat de gevolgen van zandsuppleties zouden kunnen zijn. Rijkswaterstaat houdt rekening met de aanwezige kustvogels. Wanneer nodig worden op sommige locaties op grond van de Natuurbeschermingswet gedurende een bepaalde periode geen activiteiten uitgevoerd of lopende activiteiten stil gelegd. Daar waar Rijkswaterstaat expliciet rekening houdt met een bepaalde soort is dit in een apart kader weergegeven.

Aalscholver

De aalscholver is een visetende watervogel, die vooral buiten het broedseizoen in grote aantallen voorkomt in de kustzone. De aalscholver broedt voornamelijk in kolonies op het vasteland nabij zoete en zoute wateren. De groepen die op zoet water foerageren worden niet beïnvloed door suppleties en de kolonies die volledig op zout water foerageren, hebben meestal voldoende ruimte om uit te wijken naar andere locaties. De soort wordt ook waargenomen nabij suppletiewerkzaamheden ondanks het troebelere water. De aalscholver bevindt zich buiten het broedseizoen (september – februari) meestal in de kustzone, waar ze gevoelig zijn voor verstoringen op een afstand van 75 tot 150 meter.

Het is niet vastgesteld dat aalscholvers grote hinder ondervinden van suppleties, maar met name in gebieden met veel foeragerende aalscholvers uit nabijgelegen broedkolonies kan er een negatief effect optreden op het reproductiesucces van de kolonie. Dit geldt vooral wanneer de suppleties grootschalig van aard zijn en de uitwijkmogelijkheden beperkt. Om de kans op effecten van suppleren op aalscholvers te beperken zouden grootschalige vooroeversuppleties nabij kolonies (<20 km afstand) bij voorkeur buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden (september – februari).

Strandplevier

De strandplevier is een zichtjager en pikt langs de waterlijn voornamelijk wormen, kleine schelpen, krabben en andere kreeftachtigen uit het zand. De soort is een uitgesproken strandvogel en trekt voor de broedperiode (april - juni) naar Nederland om voornamelijk in de Zeeuwse Delta maar ook in het Waddengebied op onverstoorde locaties te broeden. Deze soort wordt sterk negatief beïnvloed door recreatiedruk. Momenteel zijn nog slechts ongeveer tweehonderd paar strandplevieren te vinden in Nederland. Oorspronkelijk heeft de soort een voorkeur voor broeden op zand- of grindstrandjes maar het merendeel broedt nu binnendijks. Het geringe aantal vogels dat nog wel op stranden broedt is zeer gevoelig voor verstoring. Verstoring treedt op over een afstand van 100 tot 300 meter.

De strandplevier is lokaal gevoelig voor suppleties door verstoring en bedekking van o.a. het gebied langs de laagwaterlijn met een laag zand waardoor de voedselbeschikbaarheid tijdelijk vermindert. Gezien de beperkte populatiegrootte en slechte staat van instandhouding kan het (tijdelijk) verdwijnen van één tot enkele broedparen al tot ongewenste effecten leiden. Werkzaamheden in de directe nabijheid van de broedlocatie zullen uitgesteld moeten worden. Om verstoring en bedekking van foerageergebied zoveel mogelijk te voorkomen worden zandsuppleties bij voorkeur in de winterperiode uitgevoerd. Verstoring kan theoretisch gecompenseerd worden door het beperken van recreatie op de naastgelegen stranden. Onderwatersuppleties hebben weinig tot geen effect op de populatie.

Bontbekplevier

De bontbekplevier is een kleine steltloper die foerageert langs de waterlijn. Hij wordt het hele jaar in de kustzone aangetroffen met de hoogste aantallen in augustus en september. De bontbekplevier heeft een breed voedselspectrum. Zijn menu bestaat uit zeeduizendpoten, kleine krabben, andere kreeftachtigen, wadslakjes en insecten. Buiten het broedseizoen is de bontbekplevier in Nederland aanwezig als algemene doortrekker en wintergast. De soort broedt op kale (of zeer spaarzaam begroeide) schelpenstrandjes.

De bontbekplevier is lokaal gevoelig voor strandsuppleties tijdens de broedperiode (april – juli), wanneer ze broeden op het strand en dicht bij het nest foerageren op zandige en slikkige strandvlaktes. Vanwege de hoge recreatiedruk komen broedgevallen op het Noordzeestrand in Nederland heel weinig voor. Verstoring op plekken waar deze vogels nog wel op het strand broeden kan dus extra hard doortellen. De bontbekplevier is gevoelig voor verstoring op een afstand van 125 tot 300 meter.

De hoogste aantallen vogels zijn te vinden in de Wadden en de Zeeuwse Delta, grotendeels op slikken en platen en minder op de stranden zelf. Hier zijn dan ook de meeste locaties waar overlap met een suppletielocatie plaatsvindt. Werkzaamheden in de directe nabijheid van broedlocaties zullen uitgesteld moeten worden. In de Wadden en de Zeeuwse Delta verdient het de voorkeur om de suppleties zoveel mogelijk in de winter (november – februari) uit te voeren, wanneer de bontbekplevieren in relatief lage aantallen aanwezig zijn.

Bedekking met zand van het intergetijdengebied vermindert tijdelijk de voedselbeschikbaarheid. Een snelle herkolonisatie van prooidieren is dan wenselijk. In theorie wordt een klein oppervlak sneller gekoloniseerd vanuit omliggend gebied (strand en water) dan een zeer groot oppervlak. Een mogelijke mitigerende maatregel is dan ook om suppleties gefaseerd uit te voeren, zodat kleinere oppervlaktes per keer worden bedekt. Dit houdt echter ook in dat gebieden vaker verstoord zullen moeten worden. Uit de studies rond suppleties op Ameland (uitgevoerd binnen dit onderzoeksprogramma), blijkt dat de herkolonisatietijd van strand en vooroever zeer kort is. Het is dan ook de vraag of fasering van suppleties veel voordeel zal opleveren. Verstoring van niet-broedvogels kan theoretisch gecompenseerd worden door het beperken van recreatie op de naastgelegen stranden. Onderwatersuppleties hebben weinig tot geen effect op de populatie.

 

Handelswijze Rijkswaterstaat voor bontbek- en strandplevier

Effecten op strandbroeders worden voorkomen door buiten het broedseizoen te suppleren op locaties die bekend zijn als broedlocaties en door voldoende afstand tot de nesten te houden (350m). Hiervoor informeert Rijkswaterstaat tijdens het broedseizoen regelmatig bij lokale vogelwachten zodat eventuele nieuwe nesten niet alsnog verstoord worden.

Zwarte zee-eend

De zwarte zee-eend komt het hele jaar voor langs de kust van Nederland tot twintig meter waterdiepte waar ze zowel foerageren als rusten. In de zomer zijn de aantallen gering. In het winterhalfjaar komen er grote aantallen zwarte zee-eenden uit Noord-Europa en Siberië bij. De soort eet voornamelijk schelpdieren zoals de halfgeknotte strandschelp (spisula), maar ook andere schelpdiersoorten. Schelpdiersoorten als spisula komten voor in grote aantallen op enkele locaties (schelpenbanken). Zwarte zee-eenden zijn zeer gevoelig voor verstoring en vliegen al op bij een verstoring op een afstand van 1500 tot 3500 meter. De suppletiewerkzaamheden – en dan vooral het heen en weer varen tussen zandwin- en suppletielocatie – zijn verstorend voor de zwarte zee-eend. Daarnaast kunnen suppleties leiden tot een afname van voedselbeschikbaarheid door bedekking van schelpenbanken of door vertroebeling van het water.

Om de effecten van suppleties te beperken is het van belang schelpenbanken te ontzien. Daarnaast is het wenselijk de suppleties uit te voeren in het zomerhalfjaar, wanneer de eenden naar hun broedgebied vertrokken zijn. Tot slot kunnen de effecten beperkt worden door suppleties niet gelijktijdig in verschillende concentratiegebieden van de zwarte zee-eenden uit te voeren.

 

 

Handelswijze Rijkswaterstaat voor de zwarte zee-eend

 

Het suppleren van spisulabanken is niet toegestaan. Als het niet anders kan dan stelt Rijkswaterstaat de werkzaamheden uit tot de zwarte zee-eenden weg zijn en de voortplanting van de schelpdieren heeft plaatsgehad. Dit houdt in dat er dan tussen 1 juni en 1 maart geen suppletiewerkzaamheden plaatsvinden.

Tegenwoordig foerageren zwarte zee-eenden vooral op jonge ensis. Ensis komt langs de hele kust veel voor, en is in sommige jaren moeilijk te vermijden. In een `goed ensisjaar’ is de inschatting dat een lokale suppletie acceptabel is. Rijkswaterstaat moet aantonen dat er geen negatieve gevolgen zijn van suppletiewerkzaamheden voor zwarte zee-eenden. Het suppleren van schelpenbanken wordt dan ook zoveel mogelijk vermeden. Verder houden de schepen minimaal 500 meter afstand tot vogelconcentraties. Daarnaast houdt Rijkswaterstaat zich aan relevante afspraken en regelgeving zoals toegangsbeperkingsbesluiten voor schepen.

 Een uitgebreide beschrijving van de resultaten wordt gegeven in: Jonkvorst et al., 2013 aangevuld met Rijkswaterstaat 2014

Toggle Cloak
Drieteenstrandloper

Cloak

De drieteenstrandloper komt voor op zandstranden en droogvallende zandplaten langs de hele Nederlandse kust. De soort is aanwezig als algemene doortrekker en wintergast, met de grootste aantallen in de periode september t/m mei. De drieteenstrandloper wordt het meest gezien op de Waddeneilanden en in het Deltagebied. Het voedsel van de drieteenstrandloper is divers en bestaat o.a. uit zeer kleine wormen (waaronder de gemshoornworm), insecten, larven, en kreeftachtigen zoals copepoden die opgepikt worden rond de waterlijn. 

Effecten van strandsuppleties op de drieteenstrandloper in het algemeen

In de Natura 2000 beheerplannen wordt de drieteenstrandloper gezien als een vogelsoort die mogelijk negatief beïnvloed wordt door de tijdelijke bedekking van het voedsel door zand. In combinatie met de veronderstelde plaatstrouw van de drieteenstrandloper, kan dit een verklaring zijn voor de relatief lange afwezigheid van de soort op gesuppleerde stranden. De aanwezigheid van grote hoeveelheden strandtoeristen heeft een duidelijk negatief effect op drieteenstrandlopers. Toch is deze soort over het algemeen niet bijzonder gevoelig voor verstoring. Verstoring kan de foerageerefficiëntie en energiehuishouding negatief beïnvloeden, maar het is niet waarschijnlijk dat de activiteiten rondom strandsuppleties voor deze soort erg problematisch zijn. Wel wordt bij een suppletie het gebied langs de laagwaterlijn met een laag zand bedekt waardoor de voedselbeschikbaarheid tijdelijk vermindert.

Suppleties in de periode september t/m mei kunnen het best vermeden worden. De beste periode voor suppleties voor deze soort is juni-augustus. Onderwatersuppleties hebben weinig effect omdat er dan geen zand aangebracht wordt rond de laagwaterlijn. Net als voor andere soorten die rond de waterlijn foerageren is een snel herstel van het intergetijdengebied wenselijk. Dit kan mogelijk worden bevorderd door suppleties te faseren in ruimte en tijd, al is het de vraag wat de optimale balans is tussen kleinere suppleties en frequentere verstoring en grotere suppleties met minder frequente verstoring.

Drieteenstrandlopers in de Voordelta

In het kader van suppleties in het beheerplan Voordelta op Walcheren en Schouwen is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid en het foerageergedrag van de drieteenstrandloper. Op basis van tellingen in 2010 bleek dat in de Voordelta het aantal drieteenstrandlopers ruim boven het instandhoudingsdoel van gemiddeld 350 vogels lag. Het instandhoudingsdoel is bepaald op basis van tellingen tussen 1999 en 2004. Sindsdien zijn de aantallen in dit gebied toegenomen. Tevens beslaan de tellingen waarop de doelstelling is gebaseerd een beperkt gebied doordat op de stranden weinig wordt geteld. Door de stranden wel mee te nemen, komt het aantal nog eens tien procent hoger uit. In de Voordelta werden de hoogste aantallen drieteenstrandlopers aangetroffen op de slikkige gebieden en juist minder op de stranden. Dit kan deels te maken hebben met een hoger niveau van verstoring op de stranden en deels met de voedselrijkdom van de slikkige gebieden. De voorkeur voor slikkige gebieden ten opzichte van stranden maakt deze soort in de Voordelta mogelijk minder gevoelig voor suppleties.

De drieteenstrandlopers in de Voordelta bleken vooral te foerageren op copepodensoorten die zich normaal in de waterkolom bevinden en aanspoelen op het strand. Dit zijn typisch soorten die slechts heel beperkt worden beïnvloed door strand- of vooroeversuppleties. Ook leek de gemshoornworm, die in de beheerplannen als belangrijkste voedselbron wordt aangemerkt, in de Voordelta alleen lokaal door de drieteenstrandloper gegeten te worden. Dit maakt dat, ondanks het algemene beeld ten aanzien van drieteenstrandlopers, op Walcheren en Schouwen weinig effecten te verwachten zijn bij de uitvoering van strandsuppleties.

 

 

Handelswijze Rijkswaterstaat voor de drieteenstrandloper

Er zijn voor suppletiewerkzaamheden ten aanzien van de drieteenstrandloper geen speciale voorwaarden opgenomen in beheerplannen of de Natuurbeschermingswet. Rijkswaterstaat voert strandsuppleties uit in etappes van circa 250 meter per keer. Hierdoor blijven gebieden waar niet gewerkt wordt of waar de werkzaamheden al zijn afgerond beschikbaar als foerageergebied. 

Een uitgebreide beschrijving van de resultaten wordt gegeven in: Jonkvorst et al., 2013; Poot et al., 2010.

Toggle Cloak
Doorkijk naar vervolg

Cloak

Effecten van suppleties op foeragerende vogels zijn kleiner naarmate het herstel van suppletielocaties sneller is. Een kleine locatie, omgeven door onverstoord gebied kan zich mogelijk sneller herstellen dan een grote locatie. Dit heeft binnen dit onderzoek geleid tot het advies om in bepaalde gevallen suppleties te faseren, zodat deellocaties zich kunnen herstellen voordat andere deellocaties worden aangepakt. Echter, vaker suppleren op kleine oppervlaktes zal mogelijk meer verstoring geven. Hoe dit netto uitpakt op de verschillende vogelsoorten is nog een vraag en zal nader bekeken moeten worden.

Daarnaast is er nog weinig inzicht in de cumulatieve effecten van suppleties en andere activiteiten langs de Nederlandse kust. Waar dit nodig worden kustvakken om de vier jaar gesuppleerd. Dit houdt in dat een degelijke locatie elke vier jaar wordt verstoord. Langs de hele Nederlandse kust is er altijd wel een deel dat verstoord wordt of in elk geval herstellend is. Wat het langjarige effect van deze strategie op het habitat en het voedselaanbod voor vogels - al dan niet in combinatie met andere activiteiten langs de kust - is nog niet bekend.

Er broeden op dit moment zeer weinig strandbroeders op de Nederlandse stranden. Dit is vrijwel zeker een gevolg van de hoge recreatiedruk, waardoor vogels gedwongen zijn uit te wijken naar onder meer binnendijks gebied. Effecten van verstoring door suppletieactiviteiten op strandbroeders zijn in de praktijk dan ook zeer beperkt. Dat houdt ook in dat de noodzaak tot het nemen van mitigerende maatregelen ten behoeve van suppletieactiviteiten op dit moment laag is. Echter, wanneer in de toekomst om bepaalde redenen (bijvoorbeeld vanuit oogpunt van natuurherstel) de verstoring door recreatie wordt beperkt, zal de noodzaak tot nemen van maatregelen ten behoeve van suppleties mogelijk groter worden.

Met de huidige kennis van de vogelecologie kan een suppletie gestuurd worden op locatie, moment van suppleren en mate van verstoring. In principe zou ook gestuurd kunnen worden op breedte en profiel van een strand, maar op dit moment ontbreekt de kennis hoe dit vogelpopulaties kan beïnvloeden.

Daarnaast vinden de vogeltellingen plaats bij hoogwater, wanneer de vogels geconcentreerd zijn op hoogwatervluchtplaatsen. Er zijn zeer weinig gegevens over hoe vogels zich tijdens laagwater, wanneer ze foerageren, verdelen over het intergetijdengebied. Tellingen bij laagwater even een beter inzicht in potentiële effecten van ingrepen zoals suppleties en hoe deze geminimaliseerd kunnen worden. In de Zeeuwse Delta is de afgelopen jaren ervaring opgedaan met een methode om op een snelle en goedkope manier vogeltellingen uit te voeren in een groot aantal verschillende leefgebieden. Momenteel wordt uitgezocht of deze methode grootschaliger kan worden toegepast. Indien deze methode bruikbaar blijkt, is het nuttig een vergelijkbare techniek toe te passen langs de Nederlandse kust.

Card
idWorkshops
labelWorkshops
titleWorkshops

Workshops

Door de jaren heen zijn verschillende workshops georganiseerd.

 

Deck of Cards
idWorkshops
Card
defaulttrue
label05 02 5 februari 2016

NCK themadag 5 februari 2016

Link naar NCK-thema dag programma

Presentatie

Inleiding

S. Vergouwen

H. Holzhauer - Meijer

Office Powerpoint
name2016 02 05 NCK-themadag bodemleven Ameland.pptx

Card
label28 01 januari 2016

Resultatendag 28 januari 2016

Presentaties

Inleiding

G. Ramaekers

P. Damsma

Rijkswaterstaat I&M

Office Powerpoint
name1-RWS context.pptx

Duinen

B. van der Valk

Deltares

Office Powerpoint
name2-Duinen.ppt

Vogels

L. van Duren

Deltares

Office Powerpoint
name3-Vogels.pptx

Morfologie

T. Vermaas

E. Elias

L. Vonhögen - Peeters

Deltares

 

Office Powerpoint
name4-Morfologie.pptx

Bodemdieren strand en onderwateroever

H.Holzhauer

Deltares

Office Powerpoint
name5-Bodemdieren strand en onderwateroever.pptx

Demersale Vis en epibenthos

A. De Backer

ILVO

Office Powerpoint
name6-Vissen.pptx
Card
label27 maart 2014

NCK-dagen 27 maart 2014

Link naar de NCK-dag pagina

Presentatie

T. Vermaas

H. Holzhauer

E. Elias

Deltares

 

R. Hoogland

P. Damsma

Rijkswaterstaat

 
Card
label29 april 2014

Discussiedag 29 april 2014

Presentatie

Discussie: toepassing resultaten

H. Holzhauer

Deltares

Office Powerpoint
nameOpzet workshop Een nadere blik op de resultaten.pptx
Card
label13 juni 2013

Resultatendag 13 juni 2013

Presentaties

Kader en achtergrond

H.Holzhauer

Deltares

PDF
name2013 06 13 Inleiding Amelandstudie 2009-2012.pdf

Epibenthos en vis

A. De Backer

ILVO

Office Powerpoint
name13 juni_kustnatuur en zandsuppleties_ADB.pptx

Bodemdieren strand en subtidaal 

T. Vanagt

eCoast

Office Powerpoint
nameeCOAST presentatie 13 juni 2013_werkbaar.pptx

Opzet Handreiking Kustvogels en zandsuppleties

H.Holzhauer

Deltares

PDF
name2013 06 13 Kustvogels en suppleties samen in een gebied.pdf

Beschermingsplan Duin & Kustvogels

A. Voorbergen

Vogelbescherming

PDF
name2013 06 13 Vogelbescherming.pdf

Ecologie in de suppletie praktijk

P. Damsma

RWS

Office Powerpoint
name13 juni_RWS.pptx

Card
label25 mei 2012

Resultatendag 25 mei 2012

Presentaties

De praktijk van zandsuppleties

Hans van Zwol

RWS Dienst Noordzee

 

Theorie en praktijk: groenere uitvoering suppletie Ameland

P. Damsma

RWS waterdienst

PDF
namewe werken samen RWS Petra Damsma.pdf

Duinen

H. Everts

B. Arens

Bureau Arens

Office Powerpoint
namepresentatie arens egg.ppt

Vooroever fysica

L. Vonhögen

Deltares

PDF
nameZandsuppleties Side scan sonar Deltares Laura Vonhogen.pdf

Strand ecologie

L. Leeuwis

Grontmij

PDF
namestrand grontmij.pdf

Vooroever ecologie bodemdieren

E. Verduin

Grontmij

PDF
namesubtidaal grontmij.pdf

Vooroever ecologie vis

K. Goudswaard

Imares

PDF
nameVis IMARES Kees Goudswaard.pdf
Card
label19 mei 2011

Resultatendag 19 mei 2011

Presentaties

Programma van de dag

W. van den Pangaard

RWS Directie Noordzee

Office Powerpoint
name1.Programma Wendy van den Pangaard.ppt

Kustlijnzorg programma Rijkswaterstaat

Rik Sonneveldt 

RWS

Office Powerpoint
name2. Kustlijnzorg RWS - Rik sonneveldt.ppt

Fysische metingen

H. Holzhauer

Deltares

Office Powerpoint
name3. Fysische metingen Ameland 2010 - Harriette Holzhauer.ppt

Veldcampagne ecologie

T. Vanagt

eCoast

Office Powerpoint
name4. Veldcampagne ecolgoie Ameland - Thomas Vanagt.pptx

Effecten op duinen

B. Arens

Bureau Arens

Office Powerpoint
name5. Effecten van suppleties op de duinen - Bas Arens.pptx

Korte termijn onderzoek

S. Marx 

RWS

Office Powerpoint
name6. Korte termijn onderzoek - Sarah Marx.ppt

Suppletieprogramma 2012-2015

D. Slagter 

RWS

Office Powerpoint
name7. Suppletieprogramma 2012-2015 - Deon Slagter.ppt

Kennis B&O Kust

A. Bruens

Deltares

Office Powerpoint
name8. KPP B&O Kust - Ankie Bruens.ppt

Parallelle sessie

De optimale suppletie

Voorbeeld score formulier:'De optimale suppletie' voor de parallelle sessies

Verslag workshop 19 mei 2011

 
Card
label20 april 2010

Resultatendag 20 april 2010

Op 20 april is de eerste bijeenkomst in het kader van het Middellange termijn onderzoeksprogramma, Ecologie en zandsuppleties gehouden in Utrecht. Het doel van deze bijeenkomst was:

  • de huidige stand van zaken van het onderzoek weergeven
  • het bewust worden van de kennisvragen van de NGO's
  • de connectie van het onderzoek met de praktijk
  • de onderzoeksprogrammering voor 2010 weergeven
  • discussie over het onderzoek voor Branding en strand en Duinen

Presentaties

Inleiding

B. van der Valk

Deltares

PDF
name2. B.van der Valk_intro.pdf

Suppletieprogramma RWS

A. Roos

RWS

PDF
name3. A.Roos_KLZ RWS.pdf

Morfologie van de kust

A. van der Spek

Deltares

PDF
name4. A.van der Spek_Morfologie & suppleren.pdf

Resultaten onderzoek 2009

B. van der Valk

Deltares

PDF
name5. B.van der Valk_ Resultaten onderzoek 2009.pdf

Review MLTP

T. Vanagt

Grontmij

PDF
name6.T. Vanaght_Review MLTP.pdf

Onderzoek in het kader van de MEP-zandwinning

M. Rozemeijer

RWS

PDF
name7. M.Rozemeijer_MEP zandwinning.pdf

Belangen Natuurbeschermingsorganisaties

M. van Leeuwe

De Waddenvereniging

PDF
name11. M. van Leeuwe_Belangen NGO's.pdf

Werkplan 2010

H.Holzhauer

Deltares

PDF
name10. H.Holzhauer_Werkplan 2010.pdf

Posters

Parallelle discussie

Duinen

B. Arens

Bureau Arens

PDF
name12. B. Arens_Inleiding discussie duinen.pdf

Brandingszone en strand

G. Janssen

vrije Universiteit Amsterdam

PDF
name13. G. Janssen_Inleiding discussie branding en strand.pdf

Foto's

Gallery
includeLabel20-4-2010
titleworkshop 20 april 2010

verslag


Card
label29 juni 2009

Workshop Duinen 29 juni 2009

Doel van de Workshop

De workshop vloeit voort uit de samenwerkingsovereenkomst tussen RWS en de natuurbeschermings-organisaties, waarin RWS geld heeft toegezegd om onderzoek te doen naar de ecologische effecten van zandsuppleties. Daarvoor stelt Deltares een meerjarig onderzoeksprogramma op (het zogenaamde MLTP: Midden Lange Termijn Programma).Waterdienst en Deltares hebben daarom gezamenlijk het initiatief genomen voor de workshop.De workshop is verdeeld in twee dagdelen. Het doel van ochtend was om kennisleemtes en onderzoeksvragen/ hypothesen te definiëren met betrekking tot de effecten van suppleties op de duinen.

Het doel van de middag was om concrete aanbevelingen te geven voor de uitvoering van de in 2010 geplande suppleties voor Ameland (zowel op het strand als onderwater),om zoveel mogelijk rekening te houden met de natuurwaarden van de duinen. Door het relatief grote gebied en hoeveelheid zand dat gesuppleerd zal gaan worden, kunnen de suppleties mogelijk een significant effect hebben op de beschermde gebieden. Deltares zal de resultaten van deze workshop gebruiken om het 6-jarig onderzoeksprogramma 'ecologisch gericht suppleren' verder in te vullen, voor het onderwerp duinen.

Card
label26 juni 2009

Workshop Cumulatie en transport 26 juni 2009

Doel van de Workshop

Doel van de workshop was om kennisleemtes en onderzoeksvragen over de effecten van huidige vormen van suppleren verder te definiëren. Dit dient als input en aanscherping van het MLTP. Specifieke onderwerpen voor deze workshop waren effecten van cumulatie en effecten van regionale uitstraling. De workshop vloeit voort uit de samenwerkingsovereenkomst tussen RWS en vier natuurbeschermingsorganisaties (Waddenvereniging, Vogelbescherming, Stichting de Noordzee, Stichting Duinbehoud), waarin is vastgelegd dat er een 6-jarig onderzoek naar de ecologische effecten van suppleties plaatsvindt. Deltares stelt in dit kader een meerjarig onderzoeksprogramma op.

Presentaties

Stukken

Agenda

Inleiding

B. van der Valk

Deltares

PDF
namePresentatie A Inleiding.pdf

Huidige suppletiepraktijk

Jan Mulder

Deltares

 

PDF
namePresentatie B huidige suppletiepraktijk.pdf

Morfologische processen

Dirk-jan Walstra

Deltares/TU Delft

PDF
namePresentatie C morfologische processen.pdf

Regionale uitstraling

B. van der Valk

Deltares

 

PDF
namePresentatie D Regionale uitstraling.pdf
verslag

Verslag workshop 26 juni