Child pages
  • Bosrietzanger - Acrocephalus palustris
Skip to end of metadata
Go to start of metadata

You are viewing an old version of this page. View the current version.

Compare with Current View Page History

« Previous Version 3 Next »

Bosrietzanger - Acrocephalus palustris

Algemeen

Algemene kenmerken

 

Naam soort(en)groep

Bosrietzanger - Acrocephalus palustris

Regio

 

Watersysteem

 

Natuurparameter

vogels

HR nr

 

Factsheet opgemaakt door

M.P. Weeber

Habitat beschrijving

Algemeen voorkomen

De bosrietzanger komt voor in zoetwatergebieden en broedt voornamelijk in moerassen, hoofdzakelijk in de de drogere delen #1. Daarnaast komt hij relatief veel voor in droge biotopen buiten de moerassen. Het habitat bestaat uit dichte vochtige ruigte kruiden, veelal met struikopslag. Er wordt bijvoorbeeld gebroed in de verruigde delen van rietmoerassen, spoorbermen, kanaalbermen, wegbermen, dijktaluds, verruigde opspuittereinen, broekbossen, grienden, en open populierenbossen met een dichte ondergroei van kruiden #1. De overkoepelende voorwaarde is dat er resten voorkomen van opgaande, overjarige kruiden. Soms is dit gemengd met riet. Deze zijn 80 tot 180 cm hoog, liggen in een open landschap dat wordt afgewisseld met struiken en bomen. De planten brandnetel, riet (gemend met brandnetel), moerasspirea, koninginnekruid en wilgeroosje hebben de voorkeur. Verschillende structuren met verschillende soorten heeft de voorkeur over een monocultuur met brandnetel. Een te grote dichtheid van de vegetatie heeft een negatieve invloed op de nest mogelijkheid #1.

De kruidenvegetaties worden voornamelijk gebruik als nestplaats #1. Foerageren doet de bosrietzanger in bosjes, bomen en struiken. Rivieroevers met een grote opslag van hoge ruigtekruiden vormen een ideale broedlocatie. De gemiddelde afstand tussen nestlocatie en foerageergebied bedraagt 30 meter #1.

Voedselhabitat en strategie

De bosrietzanger eet uitsluitend kleine evertebraten, zoals insecten, spinnen en slakken. Deze bejaagd hij in hoge kruiden, struiken, bosjes en bomen #1.

Reproductie en migratie

Het broedseizoen loopt van eind mei tot eind augustus. Er wordt één broedsel per jaar gelegd. De eieren worden vanaf eind mei tot ver in juni gelegd. Dit zijn e tot 6 eieren die na 12 tot 14 dagen uitkomen. Hierna zijn de jongen na 9 tot 11 dagen vliegvlug en na 15 tot 19 dagen onafhankelijk #1.

In juli en augustus trekken de bosrietzangers naar Zuidelijk Afrika. De jongen vertrekken allen in augustus. In het voorjaar rond eind april komt de hoofdmoot weer in de broedgebieden aan #1.

Leeftijd en mortaliteit

Predatie heeft, door de locatie keuze van de bosrietzanger, weinig invloed op het nestsucces #1. Een groter effect heeft echter de koekoek, die zijn eieren in de nesten van de bosrietzanger legt en het opkomen van de jongen van de bosrietzanger verkleint. Nesten van de bosrietzanger in open vegetaties lopen een minder groot risico op koekoekseieren #1.

Dosis-effect relaties

Stoomdiagram


Error rendering macro 'flowchart'

Notify your administrator that "Bob Swift Atlassian Add-ons - Graphviz Diagrams" requires a valid license. Reason: EXPIRED



Error rendering macro 'flowchart'

Notify your administrator that "Bob Swift Atlassian Add-ons - Graphviz Diagrams" requires a valid license. Reason: EXPIRED



Error rendering macro 'flowchart'

Notify your administrator that "Bob Swift Atlassian Add-ons - Graphviz Diagrams" requires a valid license. Reason: EXPIRED



Error rendering macro 'flowchart'

Notify your administrator that "Bob Swift Atlassian Add-ons - Graphviz Diagrams" requires a valid license. Reason: EXPIRED



Error rendering macro 'flowchart'

Notify your administrator that "Bob Swift Atlassian Add-ons - Graphviz Diagrams" requires a valid license. Reason: EXPIRED


Dosis-effect relaties

Zie ook Algemeen - Vis-etende vogels en Algemeen - Broed en rust habitat (Water)vogels voor algemene rekenregels voor vogels.

Door Sierdsema 1995 is ...................Aartsen et al #2.


taludvorm (graden)

HSI

0

1

20

0.8

60

0

80

0

Referentie: #1


grondwaterstand (klassen)

HSI

hoger dan maaiveld

0

-20 cm tot maaiveld

1

lager dan -20 cm

0.4

Referentie: #1


overstromingen (periode)

HSI

sep - apr

1

mei - aug

0

Referentie: #1


breedte oevervegetatie (m)

HSI

0

1

0.5

0

1

0.8

2

1

5

1

Referentie: #1


successiestadia (klassen)

HSI

waterriet

0

waterriet met droge plekken

0

vochtig open rietland

0.2

riet met verspreide boom/struik opslag

0.8

rietruigte

1

ruigtekruiden droog/vochtig

1

rietruigte met bosopslag

1

moerasbos met open plekken

0.7

moerasbos vrijwel gesloten

0

Referentie: #1


areaal oevervegetatie (ha)

HSI

0

0

0.125

1

1

1

Referentie: #1


hoogte kruidenvegetatie (m)

HSI

0

0

50

0

60

1

100

1

Referentie: #1


aantal struiken per 100 m oever (aantal struiken/ 100 m oever)

HSI

0 - 1

0.5

2 - 3

1

> 3

0

Referentie: #1


stengeldichtheid ruigtekruiden (n/m2)

HSI

0

0

20

1

45

1

200

0

Referentie: #1

Onzekerheid en validatie

(warning) Deze rekenregels zijn niet gevalideerd.

Deze rekenregels zijn opgesteld aan de hand van een literatuuronderzoek #1.

Toepassingsgebied

Deze rekenregels zijn opgesteld voor de bosrietzanger en zijn van toepassing op het bepalen van het potentieel broedgebied van deze soort#1.

Voorbeeld project

Niet aanwezig

Referenties

1 Van der Winden, J., Dirksen, S., Poot, M.J.M., 1996 . HSI-modellen voor 15 oevergebonden broedvogelsoorten. Ministerie van verkeer en waterstaat, Dienst weg en watebrouwkunde, Bureau Waardenburg, februari 1996
2 Sierdsema

  • No labels